Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ0422

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
42163
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Urencriterium, tijd besteen aan afronding onderneming na staking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1500 met annotatie van De Jonge
FutD 2006-1917
BNB 2007/29

Uitspraak

Nr. 42.163

20 oktober 2006

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 april 2005, nr. 04/01356, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1. Aanslag, beschikking en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en is tevens bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 2 november 2000 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.116.239 met toepassing van het tarief van 45 percent op een inkomensbestanddeel groot ƒ 1.056.075. Het bedrag aan heffingsrente is bij evenvermelde uitspraak verminderd met een bedrag van ƒ 1977 en bedraagt dientengevolge ƒ 40.621. Nadat belanghebbende bij brief van 12 november 2000 een nader bezwaarschrift bij de Inspecteur had ingediend, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 11 mei 2001, onder vermelding dat reeds eerder op een bezwaarschrift tegen deze aanslag was beslist, dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Loop van het geding tot dusverre

Belanghebbende is tegen laatstgenoemde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De uitspraak van dit hof van 8 maart 2002 en die van de Inspecteur van 11 mei 2001 zijn op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 2 april 2004, nr. 38123, BNB 2004/272, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

4. Beoordeling van de middelen

4.1.1. Middel 1 betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de uren die belanghebbende heeft besteed aan de afwikkeling van de verkoop van zijn onderneming niet zijn aan te merken als uren die in beslag worden genomen door het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 44m, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997; hierna: de Wet).

4.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat nu belanghebbende vanaf 1 mei 1997, de datum van verkoop van zijn onderneming, geen onderneming meer drijft, de uren die hij na 1 mei 1997 heeft gewerkt in ieder geval niet zijn besteed aan het feitelijk drijven van een onderneming. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de afwikkeling van een onderneming nadat deze is gestaakt, zozeer samenhangt met het feitelijk drijven van die onderneming dat de aan die afwikkeling bestede tijd kan worden beschouwd als in beslag genomen door het feitelijk drijven van een onderneming in de zin van artikel 44m van de Wet. Middel 1 slaagt derhalve in zoverre. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4.2. Met betrekking tot de aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente voert middel 2 aan dat het aan de Inspecteur te wijten is dat de aanslag niet eerder is opgelegd. Het middel kan geen doel treffen, aangezien de regeling van artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar tekst en strekking geen ruimte biedt om in een geval als het onderhavige op die grond het in rekening brengen van heffingsrente geheel of gedeeltelijk achterwege te laten (vgl. HR 26 september 2003, nr. 37088, BNB 2004/62).

4.3. Gelet op het hiervóór in 4.1.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor onderzoek van de stelling van de Inspecteur dat de door belanghebbende verrichte werkzaamheden ter afwikkeling van zijn onderneming zijn verricht in het kader van zijn dienstbetrekking met de overnemer van de onderneming.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2006.