Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ0264

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
03294/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0264
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld moet worden dat verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet ex art. 279.1 Sv, optreedt, niet als wettige bewijsmiddelen kunnen gelden (HR NJ 1981, 13 en HR NJ 2002, 340). Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de stelling van de raadsman “dat de verdachte heeft te gelden als naïef, onervaren en weinig kritisch, dus in mindere mate bewust van de risico’s verbonden aan de door hem gevolgde handelwijze” moet worden verworpen, mede op de grond dat zij onverenigbaar is met de mededeling van de raadsman dat verdachte “een bancaire opleiding heeft genoten”. Aldus verstaan geven ’s hofs overwegingen geen blijk van miskenning van hetgeen is vooropgesteld. Anders moet worden geoordeeld t.a.v. ‘s hofs gebruik van de mededeling van de raadsman dat verdachte “in Suriname heeft gewoond”. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden aangezien deze mededeling overeenstemt met de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte zodat aan het gebruik van de mededeling van de raadsman geen zelfstandige betekenis toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 748
RvdW 2006, 1168
NJB 2007, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2006

Strafkamer

nr. 03294/05

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 april 2005, nummer 22/002700-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 11 maart 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst blijkens de daarop gegeven toelichting onder meer de klacht dat het Hof mededelingen van de raadsman, die op de voet van art. 279 Sv was gemachtigd tot het voeren der verdediging ter terechtzitting in hoger beroep, als bewijsmiddel heeft gebezigd. Het middel doelt daarbij op de nadere bewijsoverweging van het Hof.

3.2. De aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv bevat de volgende 'nadere bewijsmotivering':

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de punten 3 tot en met 6 van zijn in hoger beroep overgelegde pleitnotities - onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen in zijn in eerste aanleg voorgedragen en overgelegde pleitnotities (onder de punten 6 tot en met 15) - het verweer gevoerd dat er geen sprake is geweest van door de verdachte (voorwaardelijk) opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, althans dat zulks niet bewezen kan worden. Er was, zo heeft de raadsman bepleit, geen aanmerkelijke kans dat de verdachte zich door zijn handelen in zou laten met drugshandel en zo deze kans er wel was, heeft de verdachte deze kans niet bewust aanvaard.

Het hof verwerpt dit verweer en is van oordeel dat er bij de verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet in die zin dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich schuldig maakte aan de invoer van drugs (in casu cocaïne).

Het hof overweegt hieromtrent:

De verdachte heeft in mei 2003 op verzoek van een man die hij in een bar leerde kennen als [betrokkene 1] en van wie hij de achternaam niet kende, een eenmanszaak opgericht, die zich zou bezighouden met de im- en export van diepvriesgroenten uit Suriname. [Betrokkene 1] zou voor de financiën zorgen en de verdachte zou de praktische zaken regelen. Hij ontmoette [betrokkene 1] op wisselende plaatsen waaronder de openbare weg, waarbij een aantal malen aanzienlijke geldbedragen in contanten door [betrokkene 1] aan de verdachte zijn gegeven.

De verdachte heeft tot 24 november 2003 voor dit bedrijf geen enkele vorm van (financiële) administratie gevoerd. De verdachte hield in november 2003 wel veel contact met [betrokkene 1].

Van enige andere bedrijfsactiviteit met zijn eenmanszaak van de kant van de verdachte dan het op aanwijzing en met financiële middelen van [betrokkene 1] huren van een loods, invullen en afgeven van papieren en het met anderen sorteren en vervoeren naar genoemde loods van in een container - naar verdachte aanneemt uit Suriname - ingevoerde goederen is tot 24 november 2003 niet gebleken.

Voor het vervoeren, sorteren en (gedeeltelijk) vernietigen van in augustus 2003 geïmporteerde goederen heeft de verdachte een bedrag van € 5.700,- in contanten ontvangen.

Gezien deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien had de verdachte, die - zoals de raadsman ter zitting van het hof heeft verklaard - in Suriname heeft gewoond en een bancaire opleiding heeft genoten en die - zoals de verdachte bij de rechtbank heeft verklaard - de praktische zaken van het bedrijf zou regelen, ten minste onderzoek behoren te verrichten naar de herkomst en inhoud van de, in de op naam van zijn bedrijf gehuurde loods geplaatste, uit - naar hij aannam - Suriname afkomstige goederen. Dit geldt temeer gelet op de financiële beloning die hij voor zijn minimale inspanningen ten aanzien van de eerste, grotendeels waardeloze, immers vernietigde, lading had ontvangen en het feit dat de hem slechts als [betrokkene 1] bekende persoon - gelet op zijn gedrag als voornoemd - kennelijk buiten beeld wenste te blijven.

Door dit niet te doen heeft de verdachte bewust het risico genomen dat de door hem mogelijk gemaakte

import uit Suriname de invoer van verdovende middelen betrof. Immers naar algemene ervaringsregels is er een verhoogd risico op handelen in strijd met de Opiumwet bij het importeren van goederen uit Suriname.

Uit het hiervoor overwogene volgt ook dat het hof de stelling van de raadsman dat de verdachte heeft te gelden als naïef, onervaren en weinig kritisch, dus in mindere mate bewust van de risico's verbonden aan de door hem gevolgde handelwijze, verwerpt."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet op de voet van art. 279, eerste lid, Sv als zodanig optreedt, niet als wettige bewijsmiddelen kunnen gelden (vgl. HR 15 september 1980, NJ 1981, 13 en HR 8 januari 2002, NJ 2002, 340).

3.4.1. Met zijn hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de stelling van de raadsman "dat de verdachte heeft te gelden als naïef, onervaren en weinig kritisch, dus in mindere mate bewust van de risico's verbonden aan de door hem gevolgde handelwijze" moet worden verworpen, mede op de grond dat zij onverenigbaar is met de mededeling van de raadsman dat de verdachte "een bancaire opleiding heeft genoten". Aldus verstaan geven 's Hofs overwegingen geen blijk van miskenning van hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld.

3.4.2. Anders moet evenwel worden geoordeeld ten aanzien van 's Hofs gebruik van de mededeling van de raadsman dat de verdachte "in Suriname heeft gewoond". Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden, aangezien deze mededeling overeenstemt met de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij "in januari 2003 vanuit Suriname naar Nederland was teruggekomen", zodat aan het gebruik van de mededeling van de raadsman geen zelfstandige betekenis toekomt.

3.5. De klacht treft derhalve geen doel.

3.6. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 28 november 2006.