Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY9984

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
42282
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AT7842
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Optie-overeenkomsten tussen DGA en B.V., opties niet uitgeoefend?, informele kapitaalstorting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1470 met annotatie van Van Es
FutD 2006-1856
BNB 2007/60
FED 2007/45
V-N 2006/54.17

Uitspraak

Nr. 42.282

13 oktober 2006

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 2005, nr. 02/01957, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 108.916, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord en een conclusie van repliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. Belanghebbende is maat in een maatschap die een accountants- en belastingadvieskantoor drijft. Enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende is A (hierna: A).

3.2. Op 13 april 1999 is bij de Belastingdienst Registratie en Successie ter registratie aangeboden een overeenkomst (hierna: de overeenkomst), waarbij onder meer het volgende is overeengekomen:

"OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP CALLOPTIE

Ondergetekenden:

1. A, (...), hierna te noemen "Optiekoper",

en

2. X Holding B.V., (...), hierna te noemen "Optieverkoper" (de B.V.).

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Optiekoper koopt 80 callopties van Optieverkoper met betrekking tot de navolgende waarden:

Fonds: E

aantal aandelen : 8000

uitoefenprijs: 45,00 Euro

looptijd: juli 1999

2. De optieprijs bedraagt f 70.519,-- (zegge: zeventigduizend vijfhonderdnegentien gulden) en dient door Optiekoper binnen 10 werkdagen na dagtekening van deze overeenkomst aan Optieverkoper te zijn betaald.

3. Optiekoper heeft het recht tussentijds de optie geheel of gedeeltelijk uit te oefenen. In dat geval vervalt het onderhavige optierecht in zoverre.

4. Bij de uitoefening van de optie zal geen feitelijke levering van de desbetreffende aandelen plaatsvinden. Daarentegen zal de afwikkeling plaatsvinden in contanten (cash settlement). Daartoe zal Optieverkoper aan Optiekoper in contanten betalen binnen 10 werkdagen het positieve verschil tussen de slotkoers van het aandeel op de [dag van] uitoefening en de uitoefenprijs vermenigvuldigd met het aantal aandelen waarop de optie is gevestigd.

(...)

6. Partijen beogen een overeenkomst op zakelijke grondslag. De optieprijs zal liggen binnen de bandbreedte van de gepubliceerde bied- en laatprijzen van vergelijkbare opties die op de Optiebeurs (AEX) worden verhandeld."

3.3. Op 6 april 1999 bedroeg de slotkoers van de calloptie E (hierna: E), juli 1999, uitoefenprijs € 45, op de optiebeurs € 4 per aandeel. Dit bracht mee dat voor een calloptie op 8000 aandelen een bedrag van € 32.000 (ƒ 70.519) moest worden betaald.

3.4. Op de derde vrijdag in juli 1999, 16 juli 1999, om 17.00 uur, was de slotkoers van het aandeel E € 64,80. Op dat moment bedroeg het verschil tussen de slotkoers en de uitoefenprijs van € 45 voor 8000 aandelen 8000 x (€ 64,80 - € 45), derhalve € 158.400 (ƒ 349.067). Het nadelig resultaat van de overeenkomst heeft belanghebbende berekend op ƒ 349.067 verminderd met de opbrengst van de optie van ƒ 70.519, derhalve ƒ 278.548.

4. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

4.1. Het middel betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft verworpen de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende niet uit zakelijke overwegingen aan de transactie heeft deelgenomen. Daartoe voert het middel aan dat het sluiten van optie-overeenkomsten als de onderhavige niet tot de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende behoort. Het middel faalt in zoverre aangezien de opvatting waarop het berust onjuist is. Bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen die voortvloeien uit de door een vennootschap met haar (enig) aandeelhouder gesloten overeenkomst bij de bepaling van de winst in aanmerking moeten worden genomen, is niet van belang of het sluiten van de betreffende overeenkomst tot de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap behoort.

4.2. Het middel keert zich voorts tegen 's Hofs oordeel dat de overeenkomst tussen belanghebbende en A op zakelijke voorwaarden is gesloten. Het middel faalt ook in zoverre omdat 's Hofs oordeel, mede in het licht van de omstandigheid dat - naar het Hof in cassatie niet bestreden heeft geoordeeld - belanghebbende voor het aangaan van de overeenkomst met A een zakelijke vergoeding heeft bedongen, niet onbegrijpelijk is.

4.3. Voor het overige kan het middel evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

Het Hof heeft geoordeeld dat de optie in het onderhavige jaar niet door A is uitgeoefend. Hieraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat in het onderhavige jaar geen verlies uit hoofde van de overeenkomst ten laste van de winst van belanghebbende kan worden gebracht. Voorzover middel I en middel II zich tegen laatstgenoemd oordeel keren, zijn zij terecht voorgesteld. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van zijn rechten uit hoofde van de overeenkomst heeft willen afzien, is het Hof door het verlies niet aftrekbaar te achten van een verkeerde rechtsopvatting uitgegaan. In dat geval zou het afzien van evenbedoelde rechten immers als een informele kapitaalinbreng in belanghebbende moeten worden aangemerkt. Alsdan heeft belanghebbende het verlies uit hoofde van de overeenkomst terecht ten laste van haar belastbare winst gebracht. Indien het Hof evenwel bij zijn oordeel ervan is uitgegaan dat A niet in zijn hoedanigheid van aandeelhouder de optie niet heeft uitgeoefend, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat, gezien het in 3.2 aangehaalde gedeelte van de overeenkomst van koop en verkoop, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is waarom het niet ondernemen van enige actie in 1999 door de "optiekoper" ertoe leidt dat deze de uit artikel 4 van de overeenkomst voortvloeiende vordering verliest.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

6. Proceskosten

Zowel wat betreft het principale als wat betreft het incidentele beroep zal de Minister van Financiën worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidentele beroep ongegrond,

verklaart het principale beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414, en

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1932 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2006.