Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY9501

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
42747
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AU9886
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 23b, lid 4, (oud) Wet Vpb 1969; art. 20, lid 2, en art. 21, lid 1, Wet Vpb 1969; verdamping investeringsbijdragen (WIR) als gevolg van achterwaartse verliesverrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/58 met annotatie van P.H.J. Essers
Belastingadvies 2006/21.10
V-N 2006/53.16 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1823
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.747

6 oktober 2006

SE

gewezen op de beroepen in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2005, nrs. P04/04643 en 04/04644, betreffende na te melden aanslagen in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2001 en 2002 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 55.606, respectievelijk € 91.920, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken bij afzonderlijke beroepschriften beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende drijft een handel in kinderartikelen. In de jaren 1997, 1998 en 1999 heeft zij positieve belastbare winsten behaald. Bij afzonderlijke beschikkingen is de over die jaren verschuldigde belasting geheel verrekend met investeringsbijdragen (WIR) uit eerdere jaren.

In het jaar 2000 heeft belanghebbende een verlies geleden van ƒ 321.258. Bij beschikkingen van 8 december 2001 is dit verlies op de voet van artikel 20, lid 2, in verbinding met artikel 21, lid 1, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verrekend met de belastbare winsten van 1997, 1998 en 1999.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 terecht geen rekening heeft gehouden met de investeringsbijdragen (WIR) die als het ware herleefden als gevolg van de achterwaartse verliesverrekening.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de 'herleefde' investeringsbijdragen moeten worden aangemerkt als investeringsbijdragen van het jaar 2000. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat die investeringsbijdragen niet meer verrekend kunnen worden, aangezien de per 31 december 1999 onverrekend gebleven investeringsbijdragen na die datum daarvoor niet langer in aanmerking komen. Dat de gewijzigde wetgeving ter zake van investeringsbijdragen een dergelijke consequentie kon hebben, is - aldus het Hof - door de wetgever onderkend en aanvaard.

3.4. De door belanghebbende voorgestelde middelen, die voornoemde oordelen van het Hof bestrijden, falen. Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven, met dien verstande dat waar het Hof verwijst naar de Wet van 3 juli 1999, bedoeld zal zijn de Wet van 3 juli 1991.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2006.