Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY9497

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
42253
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 27e, eerste volzin, AWR, omkering en verzwaring bewijslast. Recht van verdediging tegen nadere stellingname Inspecteur inzake winstcorrectie tijdens tweede mondelinge behandeling; overleggen bewijsmateriaal ter zitting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/138 met annotatie van M.W.C. FETERIS
FutD 2006-1817
JB 2006/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.253

6 oktober 2006

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 mei 2005, nr. 03/02843, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 500.000, alsmede een boete van ƒ 1750. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep inzake de boetebeschikking ongegrond verklaard, het beroep inzake de aanslag gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur betreffende de aanslag vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 138.115 (€ 62.673). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende het aan hem uitgereikte aanslagbiljet ook na herhaalde aanmaningen niet bij de Inspecteur heeft ingeleverd en dat hij pas bij brief van 14 oktober 2003, als aanvulling op zijn beroepschrift, alsnog een ingevuld aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 aan het Hof heeft doen toekomen.

3.2. Het Hof heeft hieraan terecht de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, zodat ingevolge artikel 27e, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het beroep moet worden afgewezen tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak van de Inspecteur onjuist is.

3.3. De Inspecteur heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling van de zaak voor het Hof erkend dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. De Inspecteur heeft - na een vervolgens ingesteld boekenonderzoek - tijdens de tweede mondelinge behandeling van de zaak voor het Hof uiteindelijk het standpunt ingenomen dat voor de berekening van het belastbare inkomen van belanghebbende moet worden uitgegaan van het door belanghebbende aangegeven inkomen, verhoogd met de correcties die bij het hiervóór genoemde boekenonderzoek naar voren zijn gekomen en verhoogd met een geschatte winst (zijnde de netto omzet) van ƒ 100.000.

Aangezien in het rapport van het boekenonderzoek - het stuk waarin de Inspecteur vóór de tweede zitting laatstelijk zijn standpunt bekend had gemaakt - laatstvermelde verhoging van de winst niet was opgenomen, bracht de goede procesorde mee dat het Hof de behandeling van de zaak diende te schorsen teneinde belanghebbende de gelegenheid te geven zich te beraden over de redelijkheid van de winstschatting waartoe de Inspecteur uiteindelijk was gekomen en zijn eigen standpunt nader te bepalen, tenzij het Hof zich ervan had vergewist dat belanghebbende aan een zodanige schorsing geen behoefte had.

Nu uit 's Hofs uitspraak of het proces-verbaal van de tweede zitting niet blijkt dat het een of het ander heeft plaatsgevonden en belanghebbende in cassatie erover klaagt dat hij zich niet heeft kunnen voorbereiden op de bestrijding van het uiteindelijke standpunt van de Inspecteur, slaagt de desbetreffende klacht.

3.4. Het Hof heeft de door belanghebbende ter zitting overgelegde nota's van energiebedrijven, waarmee hij zijn kantoorkosten wilde aantonen, buiten beschouwing gelaten, aangezien de Inspecteur ernstig in zijn procedurele belangen zou worden geschaad indien hij dergelijke feitelijkheden in dat stadium nog zou moeten onderzoeken. Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk nu niet valt in te zien dat een adequate beoordeling van het bewijsmateriaal niet aanstonds mogelijk was. Voorzover de klachten zich tegen voormeld oordeel richten, slagen zij derhalve eveneens.

3.5. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6. 's Hofs uitspraak kan gelet op het hiervóór in 3.3 en 3.4 overwogene niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikking en het griffierecht,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2006.