Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY9227

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
R06/011HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY9227
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige levenspartners over de door de vader verschuldigde kinderalímentatie; draagkracht, onderbouwing met stukken uit de eerste aanleg door overlegging van volledig procesdossier, onbegrijpelijk oordeel over ontbreken van benodigde gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 791
RvdW 2007, 12
NJB 2007, 75
JWB 2006/436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 december 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/011HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. B.D.W. Martens,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 19 juni 2003 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en, na wijziging, verzocht te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de uit hun relatie op [geboortedatum] 1993 geboren zoon [de zoon] - verder te noemen: [de zoon] - met ingang van 1 januari 2001 met een bedrag van € 634,-- per maand en voor de jaren 2002 en 2003 met een bedrag van € 602,-- per maand.

De man heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de vaststelling van door hem te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon], zolang het bedrag daarvan de € 234,-- voor het jaar 2001 niet te boven gaat.

De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2004 bepaald, kort gezegd, dat de man over de periode 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 € 634,-- per maand, en vanaf 1 januari 2002 € 602,-- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon].

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 10 november 2005 heeft het hof de door de man te betalen bijdrage aan de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 1 januari 2001 op € 602,-- per maand bepaald, in zoverre de beschikking van de rechtbank vernietigd, deze beschikking voor het overige bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen hebben gedurende zeven jaar een relatie gehad, waaruit op [geboortedatum] 1993 [de zoon] is geboren. De man heeft [de zoon] erkend.

(ii) De relatie is in 1998 beëindigd. [De zoon] verblijft sindsdien bij de vrouw.

(iii) Tussen de man en [de zoon] bestond in 2001 een omgangsregeling inhoudende de ene week van vrijdagmiddag tot dinsdagochtend en de andere week van zondagavond tot dinsdagochtend. Vanaf december 2002 is [de zoon] iedere week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man geweest.

(iv) Partijen hebben gedurende de jaren 1998, 1999, en 2000 in onderling overleg de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] bepaald.

(v) De man vormt met zijn partner, met wie hij op 3 maart 2003 is gehuwd, en hun in april 2002 geboren dochter een gezin. Daarnaast verblijven twee kinderen van zijn partner ieder weekend bij zijn gezin. [De zoon] verblijft sinds 26 november 2003 eens in de veertien dagen van donderdagochtend tot dinsdagochtend bij de man en zijn gezin. De partner van de man heeft eigen inkomsten (gehad), behalve in het jaar 2002. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg in 2001 € 46.903,--, in 2002 € 39.950,-- en in 2003 en 2004 circa € 42.799,--.

(vi) De vrouw vormt met [de zoon] een eenoudergezin. Zij is werkzaam geweest in loondienst. Ingaande 1 april 2003 heeft zij een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, die in 2003 werd aangevuld tot het niveau van haar loon. Sinds 12 mei 2004 ontvangt zij een uitkering gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid. Haar netto-inkomen bedroeg in 2001 € 28.654,--, in 2002 en in 2003 € 27.899,-- en in 2004 circa € 29.772,--.

3.2 Bij beschikking van 8 december 2004 heeft de rechtbank op het hiervoor onder 1 vermelde verzoek van de vrouw bepaald, voor zover in cassatie van belang, dat de man over de periode 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 € 634,-- per maand en vanaf 1 januari 2002 € 602,-- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon].

In hoger beroep heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de bijdrage te bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten en de vrouw te veroordelen om hetgeen hij ingevolge die beschikking aan de vrouw heeft voldaan terug te betalen. Het hof heeft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 1 januari 2001 bepaald op € 602,-- per maand. Het hof overwoog daartoe dat, gezien het netto-gezinsinkomen van partijen, dat in de jaren 2001 tot en met 2004 varieerde van circa € 5.700,-- tot € 6.300,-- per maand, de behoefte van [de zoon] gesteld kan worden op gemiddeld € 1.000,-- per maand (rov. 4.3). Voorts overwoog het hof:

"4.4. De stelling van de vader dat de verdeling van de behoefte van [de zoon] dient plaats te vinden naar rato van draagkracht is in beginsel juist. De vader heeft echter in zijn hoger beroep zijn draagkracht niet inzichtelijk gemaakt, noch onderbouwd met de gebruikelijke stukken. Reeds om die reden kan aan het bezwaar van de vader, dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij een deel van de week voor [de zoon] zorgt en daarom kosten voor hem maakt die in mindering moeten komen op zijn draagkracht, worden voorbijgegaan. Nu de draagkracht van de vader wegens het ontbreken van de benodigde gegevens niet kan worden beoordeeld, kan evenmin rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de vader een nieuw gezin heeft. Gelet hierop acht het hof in het onderhavige geval een verdeling van de behoefte van [de zoon] naar rato van het netto inkomen van partijen redelijk en de laagste door de rechtbank bepaalde (€ 602,- per maand) door de vader te betalen bijdrage aan de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] in overeenstemming met de wettelijke maatstaven."

3.3 De in middel 1 tegen de bestreden beschikking aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

3.4 Middel 2 komt op tegen rov. 4.4. Het betoogt dat de man zijn draagkracht wel degelijk inzichtelijk heeft gemaakt, nu hij bij zijn appelrekest het volledige procesdossier uit de eerste aanleg heeft overgelegd met daarin zowel zijn jaaropgaven/loonstroken over de in het geding zijnde perioden, als ook draagkrachtberekeningen met betrekking tot zijn draagkracht over 2001, 2002 en 2003.

Het middel slaagt, voor zover het klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel dat de man zijn draagkracht in hoger beroep niet inzichtelijk heeft gemaakt. Uit het procesdossier blijkt dat de man in eerste aanleg jaaropgaven en draagkrachtberekeningen over de jaren 2001, 2002 en 2003 heeft overgelegd. Deze berekeningen zijn vervolgens (als productie 7) bij het appelrekest van de man gevoegd. Het oordeel van het hof dat de man in hoger beroep zijn draagkracht niet inzichtelijk heeft gemaakt, noch onderbouwd heeft met de gebruikelijke stukken, is derhalve onbegrijpelijk. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. De overige klachten van middel 2 en die van middel 3 behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 10 november 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 december 2006.