Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY9179

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
05-12-2006
Zaaknummer
03090/05 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY9179
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. ’s Hofs oordeel - waarin ligt besloten dat in eerste aanleg de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM niet is overschreden - dat het totale tijdsverloop sinds de aanvang van de behandeling van de ontnemingsvordering in eerste aanleg zodanig is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6.1 EVRM is onjuist noch onbegrijpelijk. In aanmerking genomen dat tussen het instellen van appel door betrokkene op 23-11-99 en ‘s hofs einduitspraak 5 jaren en iets meer dan 10 maanden zijn verstreken, is ’s hofs oordeel dat i.h.b. dit tijdsverloop dient te leiden tot de uitzonderlijke beslissing van niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in het licht van de aan een dergelijke beslissing te stellen motiveringseisen (HR NJ 2000, 721 en HR LJN AR2439), ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 226 met annotatie van P. Mevis
JOL 2006, 766
RvdW 2006, 1161
NJB 2007, 167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 december 2006

Strafkamer

nr. 03090/05 P

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 september 2005, nummer 22/005156-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Middelburg van 17 november 1999 - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de betrokkene, mr. A.H.J. Neels, advocaat te Vlissingen, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.2. Het Hof heeft in zijn arrest, voor zover hier van belang, overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de veroordeelde primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de inhoudelijke behandeling in de onderhavige zaak al op 10 mei 2001 heeft plaatsgevonden, waarna het hof bij tussenarrest d.d. 23 mei 2001 heeft bevolen dat de uitspraak op een nader te bepalen tijdstip zal worden uitgesproken, hetgeen tot op heden niet is geschied.

Subsidiair heeft de raadsman van veroordeelde de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, aangezien het totale tijdsverloop tussen de behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg en de behandeling van de zaak in hoger beroep op 29 september 2005, zodanig lang is, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Daarbij merkt de raadsman op dat na het tussenarrest van 23 mei 2001 de zaak kennelijk door zijn toedoen (middels zijn schrijven van 14 april 2005) weer op zitting is gekomen.

Het hof is - met de raadsman van veroordeelde - van oordeel dat het totale tijdsverloop tussen de aanvang van de behandeling van de zaak in eerste aanleg op 16 april 1998 en de uiteindelijke behandeling van de zaak in hoger beroep op 29 september 2005 zodanig is, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het hof stelt daarbij vast dat het tijdsverloop tussen het gewezen tussenarrest van 23 mei 2001 en de behandeling van de zaak op 29 september 2005 niet kan worden toegeschreven aan de veroordeelde dan wel diens raadsman. Juist na een schrijven van de raadsman d.d. 14 april 2005 is de onderhavige zaak weer in behandeling genomen.

Van het bestaan van bijzondere omstandigheden met betrekking tot deze ontnemingszaak die tot een ander oordeel zouden behoren te leiden, is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn is van dien aard dat -ook na afweging van het belang dat de gemeenschap na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij voordeelsontneming tegen het belang dat de veroordeelde heeft bij verval van het recht tot voordeelsontneming nadat die termijn is overschreden- niet kan worden volstaan met de oplegging van een lager ontnemingsbedrag, aangenomen dat aan alle overige voorwaarden voor ontneming zou zijn voldaan. Daarom moet het openbaar ministerie -met vernietiging van het vonnis waarvan beroep- alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het vorenstaande kan de primaire stelling van de raadsman onbesproken blijven."

3.3. 's Hofs oordeel - waarin ligt besloten dat bij de berechting in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM niet is overschreden - dat het totale tijdsverloop sinds de aanvang van de behandeling van de ontnemingsvordering in eerste aanleg zodanig is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.4. In aanmerking genomen dat tussen het instellen van het hoger beroep door de betrokkene op 23 november 1999 en de dag van de einduitspraak van het Hof vijf jaren en iets meer dan tien maanden zijn verstreken, is 's Hofs oordeel dat in het bijzonder dit tijdsverloop dient te leiden tot de uitzonderlijke beslissing van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in het licht van de aan een dergelijke beslissing te stellen motiveringseisen (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.23 en HR 2 november 2004, LJN AR2439, rov. 3.8), ontoereikend gemotiveerd.

De motiveringsklacht van het middel is dus gegrond.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 5 december 2006.