Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8857

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
01950/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY8857
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Dakdekkersverweer als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359.2 Sv. 2. “Behulpzaam zijn ex art. 197a Sr. Het betoog van de verdediging is niet van louter feitelijke aard maar stelt daarnaast de rechtsvraag aan de orde of het incidenteel vervoeren naar een werkplek als i.c., kan worden aangemerkt als behulpzaam zijn bij het verblijf in NL ex art. 197a Sr. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359.2 Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen i.h.b. de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Dat verzuim behoeft i.c. niet tot cassatie te leiden. Vooropgesteld moet worden dat ex art. 197a Sr ook kunnen worden gestraft zij die, zonder de vreemdeling behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot NL, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in NL. Voorts moet worden vooropgesteld dat het bestanddeel "behulpzaam bij" in art. 197a Sr moet worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Daarbij gaat het er o.m. om of betrokkene het verblijf in NL van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Onder "het verblijven in Nederland" a.b.i. art. 197a Sr dient te worden verstaan: elk zich ophouden in NL (HR LJN AL3537). Verdachte heeft telkens de vreemdelingen X en Y vervoerd i.h.k.v. hun werkzaamheden als prostituee teneinde die werkzaamheden mogelijk te maken. Daarmee heeft verdachte het verblijf van die vrouwen in NL bevorderd zodat sprake is geweest van het behulpzaam zijn van personen bij het verblijf in NL ex art. 197a Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 425
NBSTRAF 2006/425
JOL 2006, 555
NJ 2006, 541
RvdW 2006, 913

Uitspraak

26 september 2006

Strafkamer

nr. 01950/05

ABG/MR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 23 februari 2005, nummer 21/003372-03, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 7 juli 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 3 primair en 4 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "opzettelijk voorhanden hebben van een vervalst geschrift terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst", 3 subsidiair "medeplegen van: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd" en 4 subsidiair "medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv zijn beslissing met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit niet in het bijzonder heeft gemotiveerd voor zover die afweek van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het incidenteel vervoeren naar een werkplek, als waarvan hier sprake is, niet oplevert het behulpzaam zijn bij het verblijf in Nederland als bedoeld in art. 197a, eerste lid, (oud) Sr.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 3 juli 2002 te Arnhem en te Nijmegen, tezamen en in vereniging met anderen, uit winstbejag [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland, door genoemde personen (telkens) in Nederland met zijn auto te vervoeren, terwijl hij (telkens) wist dat dat verblijf wederrechtelijk is."

4.3. Deze bewezenverklaring steunt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel van een of meer van hen:

"Op 29 maart 2002 verscheen er een man aan het politiebureau die melding kwam doen van zogenaamde "mensenhandel". Deze man verklaarde dat hij in café [A] aan de [a-straat 1] te [plaats] kennis had gekregen aan een Bulgaarse vrouw. Deze vrouw had hem in vertrouwen genomen en gezegd dat zij in Griekenland had gewerkt als serveerster en dat zij op een gegeven moment benaderd was door een "Albanees", die werk voor haar zou hebben als serveerster in Nederland. Hierop was zij met deze Albanees naar Nederland vertrokken en belandde zij via Amsterdam in Arnhem. In Arnhem werd zij in contact gebracht met andere Albanezen in perceel [a-straat 1] te [plaats]. Hier werd haar medegedeeld dat men kosten voor haar had gemaakt teneinde haar naar Nederland te brengen en dat zij deze terug moest betalen.

Zij zou het geld hiervoor moeten verdienen in de prostitutie en zou naar Amsterdam worden gebracht om aldaar te "tippelen". Zij besloot iemand in vertrouwen te nemen en deze te verzoeken haar te helpen. Zij had reeds aangegeven niet te willen werken in de prostitutie en was bang dat men haar zou "doorverkopen". Haar paspoort zou reeds in handen zijn van één van de Albanezen. De avond van 29 maart 2002 had zij melder gebeld en had hem verzocht de politie in kennis te stellen. Voorts gaf melder aan dat de desbetreffende groep Albanese mannen boven het café één of meerdere kamers had en dat aldaar zich mogelijk nog meer vrouwen zouden bevinden die tot prostitutie gedwongen zouden worden. Hierop gingen wij naar genoemd café en stelden een nader onderzoek in. Hierbij troffen wij bij twee tafels in het café enkele mannen aan die kennelijk in gezelschap verkeerden van buitenlandse vrouwen. Wij controleerden vervolgens deze personen op hun identiteitspapieren, waarbij bleek dat drie vrouwen niet in het bezit waren van enig geldig identiteitsdocument. Deze vrouwen hielden wij staande op grond van de Vreemdelingenwet. Onderweg verklaarde het slachtoffer, naar later bleek te zijn genaamd [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], dat zij inderdaad onder valse voorwendselen naar Nederland was gelokt door een Albanese man om vervolgens alhier tot prostitutie te worden gedwongen. Zij verklaarde voorts dat de twee andere vrouwen die door ons waren staande gehouden eveneens naar Nederland waren gehaald om in de prostitutie te moeten werken en dat deze reeds werkzaam waren geweest in de prostitutie. Zij verklaarde niet in staat geweest te zijn te vluchten omdat zij voortdurend werd geobserveerd door iemand van de groep Albanese mannen."

b. een schriftelijk bescheid, voor zover inhoudende:

"Gesprek op 16 juni 2002 te 17.55 uur tussen [betrokkene 1] (het hof begrijpt [betrokkene 1]) en [betrokkene 2]:

[Betrokkene 1] belt in met [betrokkene 2]. [Betrokkene 1] vraagt aan [betrokkene 2] of [betrokkene 2] [verdachte] heeft gevonden. [Betrokkene 1] zegt dat "ze" naar het huis gaat met haar koffer en vraagt of [verdachte] haar zou kunnen begeleiden. [Betrokkene 1] zegt dat ze weg is gestuurd en hij vindt dat normaal dat ze is weggestuurd. [Betrokkene 1] is bang dat ze opgepakt zal worden en dat ze direct teruggestuurd kan worden.

(...)

Gesprek op 28 juni 2002 te 23.25 uur tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]:

[Betrokkene 1] belt in met [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] zegt dat [verdachte] net daar aangekomen is. [Betrokkene 1] vraagt aan [betrokkene 2] om met [verdachte] te praten en te vragen om voor alles paraat te staan. [Betrokkene 2] gaat dat doen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"U vraagt mij wie mij tegen mijn wil in de prostitutie heeft gebracht. Ten eerste [betrokkene 3], ten tweede [betrokkene 2], ten derde [betrokkene 4] en [verdachte], zij waren chauffeurs."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 26 maart 2002 heb ik een confrontatie gehouden, waarbij [slachtoffer 1] werd geconfronteerd met acht foto's van personen, waaronder een foto van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]. De foto van [verdachte] werd door mij geplaatst op nummer 1. Vervolgens werd de fotoselectie door J.H.L. Giessen getoond aan [slachtoffer 1]. Deze verklaarde daarna tegenover Giessen voornoemd: "De man op foto nummer één heet [verdachte]. Hij was de chauffeur die mij naar Nijmegen en naar Arnhem reed, heen en terug"."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"De persoon op de foto voorzien van nummer PL0700:02:0375, herken ik. Ik weet dat hij [verdachte] wordt genoemd. Ook deze jongen heb ik ontmoet in het gezelschap van [betrokkene 2]. Deze jongen bracht ons, [slachtoffer 2] en mij, regelmatig van Arnhem naar Nijmegen naar de Nieuwe Markt, zijnde het prostitutiegebied van Nijmegen. Als hij ons wegbracht reed hij meestal met een rode Volkswagen Golf.

Opmerking hof:

(...)

Uit het persoonsdossier van verdachte, p. 2, blijkt dat de foto met het nummer PL 0700:02:375 de foto van verdachte, [verdachte], is."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik ken [slachtoffer 1] van de [b-straat 1] te [plaats]. Ik weet dat zij daar in de prostitutie werkte. Ik heb toen ook regelmatig een rode Golf gezien met enkele mannen daarin. Later kwamen diezelfde mannen met een zwarte Mercedes. Toen hadden die mannen andere meisjes."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb een rode Volkswagen Golf gehad."

4.4. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2005 gehechte pleitnota houdt, voor zover hier van belang, in:

"Er is echter meer. Het is de vraag of met het 'behulpzaam geweest zijn bij het verblijf in Nederland' volgens artikel 197a Sr. ook is gedoeld op het incidenteel vervoeren naar een werkplek. Ik vind dat erg vergaand. Ik meen dat daarmee een belangrijke grens wordt overschreden. Ik meen dat de wet hiermee te ver wordt opgerekt. Waar stel je dan de grens? De eigenaar van de snackbar die eten aan illegalen verkoopt, is die strafbaar op grond van dit artikel? Zonder eten, kan iemand immers niet verblijven in een land. Hoe zit het dan met de eigenaar van de plaatselijke supermarkt, die andere producten, nodig om te kunnen (over)leven verkoopt aan illegalen? En wat te denken van de buschauffeur die illegalen met zijn bus vervoert?

Er zijn grenzen. In de optiek van de verdediging heeft de rechtbank in deze zaak een grens overschreden. Hier kan je niet meer spreken van het behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland. Dat element van de tenlastelegging kan in de optiek van de verdediging ook niet bewezen verklaard worden.

Cliënt dient dan ook te worden vrijgesproken."

4.5. Dit betoog is niet van louter feitelijke aard maar stelt daarnaast de rechtsvraag aan de orde of het incidenteel vervoeren naar een werkplek, als waarvan hier sprake is, kan worden aangemerkt als behulpzaam zijn bij het verblijf in Nederland in de zin van art. 197a Sr. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Daarom had het Hof behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat de genoemde vraag bevestigend diende te worden beantwoord. De daarop gerichte klacht is dan ook terecht voorgesteld. Dat behoeft echter op grond van het navolgende niet tot cassatie te leiden.

4.6. Art. 197a, eerste lid, (oud) Sr luidt:

"Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

4.7. Vooropgesteld moet worden dat op grond van art. 197a Sr ook kunnen worden gestraft zij die, zonder de vreemdeling behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in Nederland. Voorts moet worden vooropgesteld dat het bestanddeel "behulpzaam bij" in art. 197a Sr in overeenkomstige zin moet worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Daarbij gaat het er onder meer om of de betrokkene het verblijf in Nederland van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Naar strookt met doel en strekking van art. 197a Sr, te weten het tegengaan van mensensmokkel, en met het algemeen spraakgebruik dient onder "het verblijven in

Nederland" als bedoeld in dat artikel te worden verstaan: elk zich ophouden in Nederland (vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AL3537).

4.8. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven, volgt dat de verdachte telkens de vreemdelingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft vervoerd in het kader van haar werkzaamheden als prostituee teneinde die werkzaamheden mogelijk te maken. Daarmee heeft de verdachte het verblijf van die vrouwen in Nederland bevorderd zodat, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, sprake is geweest van het behulpzaam zijn van personen bij het verblijf in Nederland als bedoeld in art. 197a Sr.

4.9. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 september 2006.