Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8774

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
R06/096HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY8774
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoeringszaak; ongeoorloofde overbrenging van een minderjarig kind uit Hawaï (VS), restrictieve toepassing van weigeringsgrond van art. 13 lid 1, aanhef en onder b, HKOV; aangezochte rechter mag niet oordelen over gezagsrecht, omgangsrecht of over welke verblijfplaats in het belang van het kind is; reëel gevaar voor strafvervolging van de moeder ter zake van kinderontvoering in VS waardoor teruggeleiding tot langdurige scheiding zal leiden?; stelplicht en bewijslastverdeling, gehoudenheid Centrale Autoriteit tot informeren rechter omtrent bijzondere omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 3, geldigheid: 2006-10-20
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 13, geldigheid: 2006-10-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/16
NJ 2007, 383
JOL 2006, 620
RFR 2006, 124
RvdW 2006, 969
FJR 2007, 9
JWB 2006/355

Uitspraak

20 oktober 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/096HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, handelend in haar hoedanigheid van CENTRALE AUTORITEIT, zowel voor zichzelf als mede namens [de vader], wonende te Hawaï, Verenigde Staten van Amerika,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerster],

verblijvende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. Brandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 21 december 2005 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de Centrale Autoriteit - zich gewend tot die rechtbank en verzocht verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - te gelasten de uit haar relatie met [de vader] - verder te noemen: de vader - op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] geboren dochter [de dochter] - verder te noemen: [de dochter] - uiterlijk op een door de rechtbank te bepalen datum terug te brengen naar Hawaï, dan wel af te geven aan de vader.

De moeder heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 13 februari 2006 de teruggeleiding van [de dochter] uiterlijk op 23 februari 2006 naar Hawaï bevolen en ingeval daaraan niet is voldaan op die datum, de afgifte van [de dochter] aan de vader, zonodig met behulp van de sterke arm, bevolen.

Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 29 juni 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en het inleidend verzoek van de Centrale Autoriteit en de vader alsnog afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de Centrale Autoriteit, tevens optredende namens de vader, beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2002 [de dochter] geboren. Zij is op 12 juli 2002 door de vader erkend. Partijen zijn op 19 januari 2003 te New York met elkaar gehuwd. In november 2003 zijn zij naar Hawaï verhuisd.

Op 24 januari 2004 heeft de moeder met [de dochter] de echtelijke woning verlaten. Op 8 juni 2005 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Partijen zijn met het gezamenlijk gezag over [de dochter] bekleed. De rechter heeft aan partijen verboden [de dochter] zonder zijn toestemming buiten Hawaï te brengen. De moeder heeft toestemming gekregen van 13 juni 2005 tot 3 (of 5) juli 2005 met [de dochter] naar [plaats] te gaan. Zij is met [de dochter] vertrokken doch zij is niet met haar naar Hawaï teruggekeerd.

3.2 De Centrale Autoriteit heeft de rechtbank verzocht op de voet van art 12 van het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139, (hierna: HKOV) te gelasten dat de moeder [de dochter] uiterlijk op een door de rechtbank te bepalen datum terugbrengt naar Hawaï. De moeder heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en zich onder meer beroepen op de weigeringsgrond van art. 13 lid 1, aanhef en onder b, HKOV. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en het hof heeft het verzoek van de Centrale Autoriteit afgewezen. Het hof achtte het beroep van de moeder op de voormelde weigeringsgrond gegrond.

3.3 Het hof, dat heeft vooropgesteld dat hier sprake is van ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in art. 3 HKOV, heeft aan zijn oordeel in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat het risico blijft bestaan dat de moeder bij terugkeer naar Hawaï zal worden gearresteerd waardoor [de dochter], mogelijk langdurig, van haar moeder zal worden gescheiden. Voorts heeft het hof overwogen dat de vader als gevolg van de door hem gedane strafrechtelijke aangifte de moeder blootstelt aan het risico van arrestatie en daardoor zeer in strijd handelt met de belangen van [de dochter]. Door dit handelen stelt de vader naar het oordeel van het hof zijn eigen belang zozeer boven dat van [de dochter], dat een ernstig risico bestaat dat [de dochter] als gevolg van soortgelijk handelen door de vader in de Verenigde Staten in een ondraaglijke toestand wordt gebracht als bedoeld in voormelde bepaling van het verdrag (HKOV).

3.4 Het middel bestrijdt de oordelen van het hof met een aantal rechts- en motiveringsklachten. Daarbij neemt het terecht tot uitgangspunt dat doel en strekking van het HKOV, dat de onmiddellijke terugkeer wil verzekeren van kinderen die in strijd met een bestaand gezagsrecht of omgangsrecht zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat, meebrengen dat de weigeringsgrond van art. 13 lid 1, aanhef en onder b, restrictief wordt toegepast (HR 20 januari 2006, nr. R05/083, RvdW 2006, 103). De rechter die over een verzoek als het onderhavige beslist, dient zich te onthouden van een oordeel omtrent (wijziging van) het gezagsrecht en het omgangsrecht en mag ook niet treden in een beoordeling van de vraag of het belang van het kind in het land van herkomst minder goed is gediend dan in het land van de aangezochte rechter. Daarom is de klacht, dat het hof met zijn hiervoor in 3.3 vermelde oordelen heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, gegrond. Het hof heeft immers bij zijn beoordeling een ruimere maatstaf gehanteerd dan hiervoor vermeld.

3.5 De door het hof aan zijn oordelen ten grondslag gelegde omstandigheden kunnen met name voor zover zij inhouden dat de vader door zijn gedrag heeft doen blijken dat hij het belang van [de dochter] onvoldoende in het oog heeft gehouden, geen grond opleveren voor weigering van het verzoek van de Centrale Autoriteit. De eventuele ongeschiktheid van de vader om met het gezag over [de dochter] belast te blijven is alleen van belang in verband met een thans niet aan de orde zijnde beslissing over het gezag over en de omgang met [de dochter], maar mag niet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of [de dochter] moet worden teruggebracht naar Hawaï.

3.6 Ten slotte heeft het hof miskend dat het op de weg lag van de moeder, die een beroep deed op de onderhavige weigeringsgrond, de daaraan ten grondslag gelegde bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Nu de moeder in dit verband onder meer stelde dat zij bij terugkeer in de Verenigde Staten zal worden gearresteerd en dat daardoor de teruggeleiding van [de dochter] tot gevolg zal hebben dat zij langdurig van haar zal worden gescheiden, en nu de Centrale Autoriteit de stellingen van de moeder gemotiveerd betwistte, behoorde, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet de Centrale Autoriteit doch de moeder deze omstandigheden aannemelijk te maken. Daaraan doet niet af dat de Centrale Autoriteit zich - terecht - in het belang van een goede werking van het verdrag heeft ingespannen de rechter te informeren omtrent deze door de moeder aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden.

3.7 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, kan de bestreden beschikking van het hof niet in stand blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. Na verwijzing zal het hoger beroep opnieuw moeten worden beoordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2006;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 oktober 2006.