Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8659

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
42335
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Hof ging ten onrechte ongemotiveerd voorbij aan bewijsaanbod van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/301
NTFR 2006, 1350 met annotatie van Thomas
FutD 2006-1732
BNB 2007/2
V-N 2006/49.5

Uitspraak

Nr. 42.335

22 september 2006

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 juni 2005, nr. BK-03/03351, betreffende na te melden aanslagen in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslagen, bezwaren en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 666.780, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 622.060.

Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.061.546, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.2. Middel 2, dat erop neerkomt dat het Hof niet, althans niet zonder enige motivering, belanghebbendes in haar beroepschrift voor het Hof en in haar pleitnota voor het Hof gedane bewijsaanbod had mogen passeren, is gegrond. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat dit aanbod nadien is ingetrokken. Het Hof heeft omtrent het door belanghebbende gedane bewijsaanbod niets vastgesteld, noch overwogen dat en op welke grond het dit bewijsaanbod heeft gepasseerd, zodat 's Hofs uitspraak op dit punt niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.3. Gelet op het hiervoor onder 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Middel 3 behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414, en

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2006.