Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8652

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
41419
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AR6869
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

onttrekking in voorperiode van de BV?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2006/117 met annotatie van H.A.J.P. TE NIET
BNB 2007/56 met annotatie van P.H.J. Essers
V-N 2006/50.8 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.419

22 september 2006

LC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2004, nr. 02/04914, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 56.298, alsmede een boete van ƒ 8911. De navorderingsaanslag en boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd tot op € 3919 en de navorderingsaanslag gehandhaafd. 's Hofs uitspraak is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Verboom, advocaat te Eindhoven.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende exploiteerde in 1998 samen met zijn echtgenote in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de v.o.f.) een administratie- en advieskantoor. Belanghebbende was voor 35 percent gerechtigd tot de vennootschappelijke winst.

Naast vennoot van de v.o.f. was belanghebbende in 1998 tevens directeur en enig aandeelhouder van X1 B.V., welke vennootschap (hierna: de B.V.) op 12 mei 1998 bij notarieel verleden akte is opgericht. De in de B.V. ingebrachte onderneming werd met ingang van 1 juli 1997 voor rekening en risico van de B.V. gedreven. Bij oprichting zijn de in de voorperiode namens de B.V. verrichte rechtshandelingen door haar bekrachtigd. Het eerste boekjaar van de B.V. liep van 12 mei 1998 tot en met 31 december 1998.

In de tweede helft van 1997 heeft de B.V. (i.o.) de echtgenote van belanghebbende gecrediteerd voor een bedrag van ƒ 48.000.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat met betrekking tot deze creditering is voldaan aan de vereisten voor het aanmerken daarvan als uitdeling van winst. Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat de B.V. deze creditering bij oprichting heeft bekrachtigd, en dat de uitdeling vanwege de bekrachtiging moet worden geacht te zijn verricht op 12 mei 1998, de eerste dag van het eerste boekjaar van de B.V.

3.3. De klacht, die tegen laatstvermeld oordeel opkomt, faalt. Nu de B.V. niet bestond voor 12 mei 1998, kan de uitdeling niet eerder dan op dat tijdstip in aanmerking worden genomen.

3.4. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vicepresident D.G. van Vliet, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2006.