Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8322

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
00093/06 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY8322
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtsdwaling. ‘s Hofs oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen is hierop gegrond dat op verdachte de zelfstandige verplichting rustte te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daaromtrent te informeren. ‘s Hofs oordeel dat verdachte daarin is tekortgeschoten door na te laten zelf bij enige bevoegde instantie te informeren naar de reikwijdte, strekking of betekenis van de geldende wet- en regelgeving en af te gaan op het feit dat het wisselkantoor waarmee verdachte jarenlang zaken heeft gedaan haar er niet op heeft gewezen dat haar gedrag in strijd was met de wet, en dat daarom het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wet melding ongebruikelijke transacties
Wet melding ongebruikelijke transacties 2
Wet melding ongebruikelijke transacties 8
Wet melding ongebruikelijke transacties 9
Wet inzake de wisselkantoren
Wet inzake de wisselkantoren 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 473
NBSTRAF 2006/473
JOL 2006, 659
NJ 2006, 602
RvdW 2006, 1046

Uitspraak

31 oktober 2006

Strafkamer

nr. 00093/06 E

EC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 25 februari 2005, nummer 23/001745-03, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 29 maart 2001, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren, begaan door een rechtspersoon" en 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V. Kraal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. zij in of omstreeks de periode van 30 september 1997 tot en met 30 november 1999 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk (in strijd met artikel 4 van de Wet op de wisselkantoren) als wisselkantoor werkzaam is geweest, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader, beroeps- en/of bedrijfsmatig ten behoeve en/of op verzoek van anderen opzettelijk wisseltransacties uitgevoerd, te weten:

- op of omstreeks 30 september 1997: DEM 194.990,- en

- op of omstreeks 7 november 1997: GBP 70.000,- en

- op of omstreeks 19 december 1997: GBP 14.745,- en $ 171.850,- en

- op of omstreeks 23 januari 1998: GBP 116.810,- en DEM 185.960,- en

- op of omstreeks 12 maart 1998: $ 106.150,- en

- op of omstreeks 2 april 1998: GBP 110.000,- en

- op of omstreeks 11 mei 1998: DEM 89.700,- en DEM 251.320,- en SCP 11.600,- en

- op of omstreeks 16 juni 1998: DEM 367.740,- en

- op of omstreeks 10 juli 1998: $ 19.500,- en FRF 160.500,- en DEM 44.000,- en SCP 13.670,- en GBP 36.640,- en

- op of omstreeks 18 augustus 1998: DEM 67.500,- en DEM 235.740,-en

- op of omstreeks 16 september 1998: DEM 174.400,- en GBP 98.850,- en CAD 75.000,- en

- op of omstreeks 20 oktober 1998: DEM 199.050,- en

- op of omstreeks 7 november 1998: SEK 634.500,- en

- op of omstreeks 16 december 1998: GBP 75.250,- en

- op of omstreeks 3 februari 1999: DEM 170.360,- en

- op of omstreeks 22 april 1999: DEM 114.450,- en

- op of omstreeks 18 mei 1999: FRF 289.400,- en

- op of omstreeks 11 juni 1999: DEM 418.980,- en

- op of omstreeks 6 juli 1999: CAD 135.000,- en

- op of omstreeks 3 november 1999: DEM 115.000,- en DKK 120.000,- en SEK 149.500,- en ITL 17.300.000,- en DEM 168.140,- en GBP 15.000,- en GBP 27.880,- en DEM 111.400,-;

2. zij in of omstreeks de periode van 30 september 1997 tot en met 30 november 1999 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens beroeps- en/of bedrijfsmatig een financiële dienst heeft verleend, waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader, telkens opzettelijk in strijd met het bepaalde in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, de door haar, verdachte, en/of haar mededader verrichte ongebruikelijke transactie niet onverwijld heeft gemeld aan het meldpunt als bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijk transacties, immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader toen en aldaar telkens beroeps- en/of bedrijfsmatig telkens een financiële dienst verricht, waarbij telkens sprake was van een indicator als bedoeld bij of krachtens artikel 8 van bedoelde Wet, te weten een of meer wisseltransacties in vreemde valuta, waarvan de tegenwaarde ligt boven fl 25.000,- bij [A] te [plaats] op naam van haar, verdachte, door een medewerker van haar, verdachte, te weten:

op of omstreeks 30 september 1997: DEM 194.990,- en

op of omstreeks 7 november 1997: GBP 70.000,- en

op of omstreeks 19 december 1997: GBP 14.745,- en $ 171.850,- en

op of omstreeks 23 januari 1998: GBP 116.810,- en DEM 185.960,- en

op of omstreeks 12 maart 1998: $ 106.150,- en

op of omstreeks 2 april 1998: GBP 110.000,- en

op of omstreeks 11 mei 1998: DEM 89.700,- en DEM 251.320,- en SCP 11.600,- en

op of omstreeks 16 juni 1998: DEM 367.740,- en

op of omstreeks 10 juli 1998: $ 19.500,- en FRF 160.500,- en DEM 44.000,- en SCP 13.670,- en GBP 36.640,- en

op of omstreeks 18 augustus 1998: DEM 67.500,- en DEM 235.740,- en

op of omstreeks 16 september 1998: DEM 174.400,- en GBP 98.850,- en CAD 75.000,- en

op of omstreeks 20 oktober 1998: DEM 199.050,- en

op of omstreeks 7 november 1998: SEK 634.500,- en

op of omstreeks 16 december 1998: GBP 75.250,- en

op of omstreeks 3 februari 1999: DEM 170.360,- en

op of omstreeks 22 april 1999: DEM 114.450,- en

op of omstreeks 18 mei 1999: FRF 289.400,- en

op of omstreeks 11 juni 1999: DEM 418.980,- en

op of omstreeks 6 juli 1999: CAD 135.000,- en

op of omstreeks 3 november 1999: DEM 115.000,- en DKK 120.000,- en SEK 149.500,- en ITL 17.300.000,- en DEM 168.140,- en GBP 15.000,- en GBP 27.880,- en DEM 111.400,-,

en deze ongebruikelijke transacties telkens niet onverwijld vermeld onder verstrekking van de gegevens als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van genoemde Wet aan eerder genoemd Meldpunt."

4.3. De bestreden uitspraak houdt, als verwerping van het in het middel bedoelde verweer, het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten aangevoerd dat door het wisselkantoor waarmede jarenlang zaken werden gedaan nooit aanmerking is gemaakt op de activiteiten van verdachte, terwijl het wisselkantoor op de hoogte was van de inhoud van deze activiteiten en van de bestaande wettelijke voorschriften; bovendien was, in verband met hetgeen onder 3 is ten laste gelegd, ten tijde van het bewezenverklaarde - mede gezien de stand van de rechtspraak destijds - niet bekend dat verdachtes activiteiten moesten worden aangemerkt als het werkzaam zijn als wisselkantoor. De verdachte heeft derhalve in verschoonbare rechtsdwaling verkeerd en gemeend dat zijn activiteiten wettelijk waren toegestaan; in elk geval is sprake van afwezigheid van alle schuld. Het Hof overweegt hieromtrent dat op de verdachte de zelfstandige verplichting rustte te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daaromtrent tijdig op de hoogte te stellen. Van die verplichting was hij niet ontslagen door [betrokkene 1] in te schakelen en vast te stellen dat van die zijde geen aanmerkingen of bedenkingen werden gemaakt. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte bij enige bevoegde instantie navraag heeft gedaan omtrent de reikwijdte, strekking of betekenis van de vigerende rechtsregels. De voor verdachte mogelijk onduidelijke stand van zaken in de rechtspraak met betrekking tot de onderhavige materie doet hier niet aan af, reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft getracht zich helderheid hieromtrent te verschaffen, terwijl ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaraan de conclusie moet worden verbonden dat sprake is van afwezigheid van alle schuld bij verdachte. Het hof verwerpt het verweer derhalve in al zijn onderdelen."

4.4. Het Hof heeft zijn oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen hierop gegrond dat op de verdachte de zelfstandige verplichting rustte te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daaromtrent te informeren. Het oordeel van het Hof dat de verdachte daarin is tekortgeschoten door na te laten zelf bij enige bevoegde instantie te informeren naar de reikwijdte, strekking of betekenis van de geldende wet- en regelgeving en af te gaan op het feit dat het wisselkantoor waarmee de verdachte jarenlang zaken heeft gedaan haar er niet op heeft gewezen dat haar gedrag in strijd was met de wet, en dat daarom het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

4.5. Het middel faalt.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 oktober 2006.