Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8290

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
R05/127HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY8290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Geschil tussen drie bestuurders van een stichting over het door één van hen op grond van art. 2:298 lid 1, aanhef en onder a, BW verzochte ontslag van de andere bestuurders die hij diezelfde dag als bestuurder hebben ontslagen; ontvankelijkheid verzoek, belanghebbende als bedoeld in art. 2:298 BW, maatstaf; vatbaarheid ontslagmaatregel voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad; belang in cassatie, niet zelfstandig dragende grond, gewijzigde omstandigheden na bestreden uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 691
NJ 2007, 45 met annotatie van J.M.M. Maeijer
RAR 2007, 13
RN 2007, 1
RO 2007, 4
RvdW 2006, 1056
Ondernemingsrecht 2007, 37 met annotatie van G.J.C. Rensen
JRV 2007, 7
JWB 2006/390
JOR 2007/6 met annotatie van E. Schmieman
JERF 2016/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/127HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: voorheen mr. G.C. Makkink,

thans: mr. D. Rijpma,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. STICHTING IHD - ZORG IN HET BUITENLAND,

gevestigd te Rijswijk,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 12 januari 2004 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie sub 1 - verder te noemen: [verweerder 1] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht verzoekers tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] - te ontslaan als bestuurders van verweerster in cassatie sub 2 - verder te noemen: de Stichting - en als voorlopige voorziening [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te schorsen als bestuurders van de Stichting en een derde tot bestuurder van de Stichting te benoemen.

[Verzoeker 1], [verzoeker 2] en de Stichting hebben de verzoeken bestreden.

De rechtbank heeft na een tussenbeschikking van 17 maart 2004 bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde tussenbeschikking van 1 april 2004 een bewindvoerder van de Stichting benoemd. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindbeschikking van 21 oktober 2004 heeft de rechtbank [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ontslagen als bestuurders van de Stichting, de derde volzin van art. 3.1 van de statuten, waarin is bepaald dat de IHD International B.V. tweederde gedeelte van het bestuur van de Stichting benoemt, buiten werking gesteld en de reeds benoemde bewindvoerder tot bestuurder van de Stichting benoemd.

Tegen de eindbeschikking van de rechtbank (en de daaraan voorafgaande tussenbeschikkingen) hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] bij het gerechtshof te 's-Gravenhage hoger beroep ingesteld. Verder heeft [verweerder 1] zijn verzoek aangepast en alsnog verzocht om buitenwerkingstelling van artikel 3.1 van de statuten van de Stichting. Ook de Stichting heeft dit in hoger beroep verzocht.

Bij beschikking van 28 juni 2005 heeft het hof voormelde eindbeschikking bekrachtigd, met dien verstande dat het art 3.1 van de statuten van de Stichting heeft gewijzigd, zoals in het dictum van de beschikking is vermeld, en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

[Verweerder 1] en de Stichting hebben verzocht het beroep te verwerpen ten aanzien van de klachten 1 tot en met 4 en verzocht ten aanzien van de vijfde klacht [verzoeker 1] en [verzoeker 2] primair niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair het beroep te verwerpen.

[Verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben hierop gereageerd in een verweerschrift.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieverzoek.

Bij brief van 6 juli 2006 heeft mr. L.M.M.C. Boon, advocaat bij de Hoge Raad, namens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 2.1-2.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene. Kort samengevat gaat het om het volgende.

De Stichting is in 1993 opgericht door [verzoeker 1]. Ten tijde van de oprichting van de Stichting waren [verzoeker 1] en [verzoeker 2] bestuurders. Sinds 1 januari 1997 was [verweerder 1] het derde bestuurslid.

Na enige verwikkelingen heeft [verweerder 1] op 12 januari 2004 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, waarin hij op grond van art. 2:298 BW heeft verzocht om [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te ontslaan als bestuurders van de Stichting en bij wege van voorlopige voorziening, hangende het onderzoek, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te schorsen als bestuurders van de Stichting met benoeming van een derde tot bestuurder.

Eveneens op 12 januari 2004 is [verweerder 1], met onmiddellijke ingang, door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ontslagen als bestuurder van de Stichting.

De rechtbank heeft in haar eindbeschikking geoordeeld dat [verzoeker 2] en [verzoeker 1] in strijd met de statuten (art. 8 lid 6 en art. 9 lid 1) en de wet (art. 2:9 BW) hebben gehandeld en dat zij zich tevens hebben schuldig gemaakt aan wanbeheer. Op deze gronden heeft de rechtbank [verzoeker 1] en [verzoeker 2] als bestuurders van de Stichting ontslagen. Voorts heeft zij de derde volzin van art. 3.1 van de statuten van de Stichting, waarin is bepaald dat IHD International B.V. 2/3 gedeelte van het bestuur van de Stichting benoemt, buiten werking gesteld en mr. J.C. Dorrepaal als bestuurder benoemd. De rechtbank heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof heeft de door de rechtbank gegeven beschikking bekrachtigd, met dien verstande dat het art. 3.1 van de statuten van de Stichting heeft gewijzigd. Ook het hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2 [Verzoeker 1] en [verzoeker 2] komen tegen deze uitspraak op met een middel, dat is onderverdeeld in vijf onderdelen, in het middel aangeduid als 'Klacht 1' tot en met 'Klacht 5'.

3.3 De in onderdeel 1 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4.1 Onderdeel 2, in het aanvullend cassatierekest aangevuld naar aanleiding van het ter beschikking komen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, is gericht tegen het oordeel van het hof (rov. 7-9) dat [verweerder 1] als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW is aan te merken.

3.4.2 Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 2:298 BW niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Vgl. HR 6 juni 2003, nr. R02/078, NJ 2003, 486.

3.4.3 Gelet op de zo-even vermelde maatstaf en op het doel van de in art. 2:298 vervatte regeling moet worden geoordeeld dat, wanneer gedurende de tijd dat een persoon deel heeft uitgemaakt van het bestuur van een stichting, feiten zijn voorgevallen die grond kunnen geven voor het treffen van de in art. 2:298 bedoelde maatregelen, zijn betrokkenheid daarbij zodanig is dat hij ook na het einde van zijn bestuurslidmaatschap als belanghebbende in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt, mits hij een verzoek als bedoeld in die bepaling indient binnen redelijke termijn nadat zijn bestuursfunctie ten einde is gekomen.

Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de feiten waarop [verweerder 1] zijn verzoek heeft gebaseerd, zijn voorgevallen gedurende zijn bestuurslidmaatschap en dat hij zijn verzoek heeft ingediend op de dag waarop hij als bestuurder van de Stichting is ontslagen. Het hof heeft dan ook terecht [verweerder 1] als belanghebbende aangemerkt. Daaraan kan niet afdoen dat [verweerder 1] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard het ontslag te hebben verzocht uit principieel belang.

3.4.4 De overweging van het hof aan het slot van rov. 8, dat de Stichting (die zelf zonder meer belanghebbende is) zich aan de zijde van [verweerder 1] heeft geschaard, houdt geen zelfstandig dragende grond in voor de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van [verweerder 1]' verzoek. De tegen deze overweging gerichte klacht behoeft derhalve geen behandeling, nu deze slechts is voorgedragen voor het geval dat de bedoelde overweging anders zou moeten worden gelezen.

3.4.5 Uit het vorenoverwogene volgt dat onderdeel 2 tevergeefs is voorgesteld.

3.5.1 Onderdeel 3 klaagt erover dat het hof in rov. 12-25 een aantal conclusies heeft getrokken uit de in rov. 1.1-1.14 weergegeven feiten, zonder [verzoeker 1] en [verzoeker 2] toe te laten daartegen tegenbewijs te leveren.

3.5.2 Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat op de onderhavige procedure de algemene regels van bewijsrecht van toepassing zijn (art. 284 lid 1 Rv.). De aard van deze procedure verzet zich daartegen niet.

3.5.3 De in het onderdeel aangevoerde klachten kunnen nochtans niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6.1 Onderdeel 4 is, naar de kern genomen, gericht tegen de verwerping door het hof (rov. 27) van het betoog van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] dat een beschikking op grond van art. 2:298 BW waarbij bestuurders worden ontslagen, naar haar aard niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kan worden.

3.6.2 Het ontslag van bestuurders doet een nieuwe rechtstoestand ontstaan welke in beginsel eerst met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak een aanvang neemt. De aard van deze beslissing is echter niet zodanig dat deze, in afwijking van art. 288 Rv., niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Het hof heeft in dit verband terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de wetgever een zodanige maatregel in de regeling van het enquêterecht vatbaar heeft geacht voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad (art. 2:358 lid 1 in verbinding met art. 2:356 BW). Hieraan kan niet afdoen, dat art. 2:298 BW een zodanige uitdrukkelijke bepaling niet bevat. Onderdeel 4 faalt derhalve.

3.7.1 Onderdeel 5 heeft betrekking op het volgende.

Het hof heeft de door hem bepaalde wijziging van de statuten van de Stichting gebaseerd op een door de Stichting eerst in hoger beroep gedaan verzoek. Onderdeel 5 klaagt dat het hof heeft miskend, dat de Stichting, die in eerste aanleg geen enkel verzoek heeft gedaan, niet voor het eerst in hoger beroep een verzoek tot wijziging van haar statuten kon doen.

[Verweerder 1] en de Stichting hebben in hun verweerschrift aangevoerd, dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet-ontvankelijk in deze klacht verklaard dienen te worden, omdat art. 3.1 van de statuten na de uitspraak van het hof krachtens een besluit van het bestuur opnieuw is vastgesteld.

De notariële akte waarbij deze statutenwijziging tot stand is gebracht, is aan het verweerschrift van [verweerder 1] en de Stichting gehecht. [Verweerder 1] en de Stichting menen dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] als gevolg van deze gang van zaken geen belang meer bij onderdeel 5 hebben. [Verzoeker 1] en [verzoeker 2] stellen daartegenover dat zij belang houden als een van de andere door hen ingediende klachten slaagt.

3.7.2 Nu, naar hiervoor is overwogen, de overige onderdelen van het middel alle falen, hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] inderdaad geen belang meer bij de in onderdeel 5 aangevoerde klacht. Onderdeel 5 kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] en de Stichting begroot op € 336,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 10 november 2006.