Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY8277

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
C05/156HR (1438)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY8277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak. Geschil tussen de Staat en de eigenaar van een strook grond, onteigend ten behoeve van de aanleg van een boortunnel voor de Hoge Snelheidslijn Zuid (HSL) maar nadien weer beschikbaar voor exploitatie, zij het onder bouwkundige beperkingen, over de door de Staat aangeboden schadeloosstelling met bijkomend schadebeperkend aanbod tot teruglevering onder voorbehoud van recht van opstal, alsmede over de vergoeding van belastingschade; vrijheid van de onteigende tot aanwending van de schadeloosstelling en aanvaarding van het aanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 3 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
JOL 2006, 654
RvdW 2006, 999
JWB 2006/366
TBR 2008/39 met annotatie van E. van der Schans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 oktober 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/156HR (1438)

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

NIEUW WERKLUST KLEIWARENFABRIEK B.V., thans genaamd NIEUW WERKLUST HOLDING B.V.,

gevestigd te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verweerder in cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 11 september 2001 eiseres tot cassatie (hierna: NWH) gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en ten behoeve van de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid tussen Amsterdam en de Belgische grens gevorderd ten name van de Staat vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten ter grootte van 00.54.86 hectare (grondplannummer [001]), 00.31.40 hectare (grondplannummer [002]) en 00.02.05 hectare (grondplannummer [003]) van de onroerende zaken met de kadastrale aanduiding gemeente Hazerswoude, sectie [A], respectievelijk nrs. [004, 005 en 006], waarvan NWH als eigenaar is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op € 1.298.688,35 (ƒ 2.861.932,50).

Bij akte ter rolle van 15 januari 2002 heeft de Staat zijn eis aangevuld en gevorderd:

I (primair) te bepalen dat de Staat na inschrijving van het onteigeningsvonnis de krachtens de onteigening verkregen (bloot)eigendom, dat wil zeggen de eigendom belast met een recht van opstal ten name van de Staat onder voorwaarden als vermeld in een ter descente in het geding te brengen akte binnen één week na het onherroepelijk worden van het onteigeningsvonnis te koop zal dienen aan te bieden voor een door NWH te betalen bedrag van (€ 1.298.688,35 minus € 459.350,37) € 839.337,98 (ƒ 2.861.932,50 minus ƒ 1.012.275 = ƒ 1.849.657,50) (zodat per saldo voor het opstalrecht bij wege

van voorschot wordt betaald € 459.350,37 (ƒ 1.012.275,--) met bepaling dat de uiteindelijk te betalen schadeloosstelling voor het opstalrecht door de rechtbank bepaald zal worden op basis van de Onteigeningswet;

(subsidiair) te bepalen dat de Staat na het onherroepelijk worden van het rechterlijk vonnis waarbij de schadeloosstelling is bepaald de krachtens het in deze zaak gewezen vonnis door onteigening verkregen eigendom belast met een recht van opstal ten name van de Staat onder voorwaarden als verwoord in een in het geding te brengen akte, aan NWH te koop zal dienen aan te bieden, tegen een door de rechtbank op basis van de Onteigeningswet te bepalen schadeloosstelling;

te bepalen dat de Staat dit bijkomende schadebeperkende aanbod gestand zal doen gedurende een periode van twee maanden na inschrijving van het onteigeningsvonnis respectievelijk twee maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis omtrent de schadeloosstelling;

te bepalen dat er bij acceptatie van het primaire of subsidiaire aanbod verrekening zal dienen plaats te vinden met hetgeen als (voorschot op de) schadeloosstelling is voldaan, met inachtneming van een door de rechtbank te bepalen rentevergoeding;

en te bepalen dat door de inschrijving van het vonnis in de openbare registers de eigendom van het onteigende zal overgaan op de Staat, vrij van alle lasten en rechten daarop rustende;

II voorts - na vervulling van de voorgeschreven procesgang - bij afzonderlijk vonnis de aan NWH en eventueel aan derde belanghebbende(n) uit te keren schadeloosstelling(en) vast te stellen, met veroordeling van de Staat tot betaling van dat bedrag (die bedragen) voor zover niet reeds als voorschot uitgekeerd, een en ander met aanwijzing van een of meer nieuws- of advertentiebladen, waarin zowel het vonnis van onteigening als dat houdende vaststelling van de schadeloosstelling, nadat zij kracht van gewijsde zullen hebben verkregen, door de griffier bij uittreksel moeten worden bekend gemaakt, alle kosten rechtens.

Bij vonnis van 12 februari 2002, dat op 22 mei 2002 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor NWH vastgesteld op € 1.298.688,35, bepaald dat de Staat het bijkomend aanbod gestand doet, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

Bij vonnis van 6 april 2005 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de schadeloosstelling voor NWH vastgesteld op € 2.285.870,--, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 1.298.688,35, alsmede op een rente van 4,5% over € 987.181,65 vanaf 22 mei 2002 tot 6 april 2005. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

NWH heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 6 april 2005 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor NWH mede door mr. J.G. de Vries Robbé, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het in cassatie bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak.

De advocaten van de Staat hebben bij brief van 7 juli 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 Onteigend is een langwerpige strook grond die de aaneensluitende, nagenoeg rechthoekige percelen, kadastraal bekend Gemeente Hazerswoude, sectie [A] nrs. [004, 005 en 006] tussen de Rijndijk en de Oude Rijn in de gemeente Hazerswoude in diagonale richting doorsnijdt. Het gaat om een gedeelte van een fabrieksterrein met opstallen, een gedeelte van een watergang en een gedeelte van een braakliggend terrein ([A 004]), een gedeelte van een braakliggend terrein ([A 005]), en een gedeelte van een parkeerterrein ([A 006]). Het onteigende is nodig voor de aanleg op ongeveer 30 meter onder het maaiveld van een boortunnel voor het spoortraject Amsterdam-Belgische grens van de Hoge SnelheidsLijn Zuid (HSL). Nadat de tunnel is aangelegd blijft voortzetting van een wijze van (particuliere) exploitatie van de grond mogelijk, met inachtneming van de beperkingen ten aanzien van de fundering van gebouwen en de maximaal toelaatbare asdruk die voortvloeien uit de aanwezigheid van de tunnel.

3.1.2 De Staat heeft aan NWH een schadeloosstelling aangeboden van ƒ 3.179.925,--. Daarnaast heeft de Staat een bijkomend schadebeperkend aanbod gedaan om na het onherroepelijk worden van het vonnis waarbij de schadeloosstelling is bepaald de (bloot) eigendom, dat wil zeggen de ter onteigening aangewezen eigendom belast met een recht van opstal ten name van de Staat, onder voorwaarden als vermeld in een ter descente in het geding te brengen akte, aan NWH te koop aan te bieden, tegen een door de rechtbank op basis van de Onteigeningswet te bepalen schadeloosstelling, en dit bijkomend schadebeperkend aanbod gestand te doen gedurende een periode van twee maanden na het onherroepelijk worden van het te wijzen vonnis omtrent de schadeloosstelling.

3.1.3 De rechtbank heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat dit bijkomend aanbod redelijk is. Aan dit oordeel heeft zij de gevolgtrekking verbonden dat het in schadebeperkende zin behoort door te werken op de totale schadeloosstelling in geld die aan NWH moet worden toegelegd. Daarbij heeft de rechtbank, die erop wijst dat het niet mogelijk is ten algemenen nutte tegen schadeloosstelling de vestiging van een recht van opstal te realiseren door inschrijving in de openbare registers van een rechterlijke uitspraak, benadrukt dat op deze wijze aan NWH, na onteigening van haar volle recht van eigendom en door overdracht van een recht van eigendom bezwaard met recht van opstal, de waardevermindering van het onteigende wordt toegelegd (rov. 11). Van oordeel dat NWH het bijkomend aanbod behoort te aanvaarden (rov. 13), heeft de rechtbank in het dictum onder meer

- de schadeloosstelling in geld voor de waarde van het onteigende en de waardevermindering van het overblijvende bepaald op € 2.285.870,--;

- als schadeloosstelling vastgesteld het bijkomend schadebeperkend aanbod tot overdracht aan NWH van het recht van eigendom van het onteigende bezwaard met een recht van opstal op naam van de Staat tegen een koopsom van € 955.632,--;

- de Staat veroordeeld om aan NWH te voldoen een bedrag van € 31.549,63 ( € 2.285.870,-- verminderd met door de Staat voldane voorschot en de hiervoor vermelde koopsom),

- en de Staat veroordeeld het bijkomend schadebeperkend aanbod gestand te doen gedurende een periode van twee maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis.

3.2.1 Onderdeel I klaagt dat de rechtbank aldus miskent dat het de onteigende vrijstaat om zelfstandig te beslissen of hij daadwerkelijk gebruik wil maken van een bijkomend aanbod, tot gestanddoening waarvan de onteigenaar door de rechtbank wordt verplicht. Het is niet aan de rechtbank om dat aanbod namens de onteigende te accepteren, laat staan om de met de aanvaarding van dat aanbod gepaard gaande kosten voor de onteigende op voorhand te verrekenen met de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende waarop de onteigende aanspraak kan maken, aldus het onderdeel.

3.2.2 Het onderdeel, dat met juistheid ervan uitgaat dat de beslissing dat de Staat in geld aan NWH nog slechts voormeld bedrag van € 31.549,65 dient te voldoen, aanvaarding van het bijkomend aanbod door NWH veronderstelt, is gegrond. Die beslissing vormt een schending van de regel van onteigeningsrecht die erop neerkomt dat de onteigende er recht op heeft dat de werkelijke waarde van het onteigende als hoofdelement van de schadeloosstelling hem onverkort in geld wordt vergoed, zodat hij zelf de vrijheid heeft te beslissen waartoe hij die schadeloosstelling zal aanwenden. Dat die regel niet van toepassing zou zijn in een geval als het onderhavige, waarin wordt aangeboden het onteigende terug te leveren onder voorbehoud van een recht van opstal, valt niet in te zien. Ook in een dergelijk geval betekent onteigening verlies van de eigendom en komt dus aan de onteigende de hiervoor bedoelde vrijheid toe.

3.3 De onderdelen IIA, IIB en III behoeven gelet op het slagen van onderdeel I geen behandeling.

3.4.1 Onderdeel IV heeft betrekking op hetgeen de rechtbank in haar rov. 18 heeft geoordeeld ten aanzien van de vraag of aan NWH een vergoeding ter zake van belastingschade toekomt. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Zij oordeelde, in het voetspoor van de deskundigen, dat een redelijk handelend ondernemer die zou verkeren in de positie van NWH ervoor zou kiezen de ontvangen schadeloosstelling volledig aan te wenden voor herinvestering (Scenario 1. Herinvestering en voortgezette exploitatie), in welk scenario naar het, met het advies van de deskundigen overeenstemmende, oordeel van de rechtbank geen belastingschade wordt geleden.

3.4.2 Het onderdeel klaagt dat laatstvermeld oordeel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de kanttekening die mr. F.H. Schraven, de door NWH geraadpleegde belastingadviseur, in zijn "Aanvullende deskundigenbericht" van 27 december 2004 heeft geplaatst bij het advies van de deskundigen, voor zover dit mogelijke belastingschade betreft. Het onderdeel faalt. De advocaat van NWH heeft bij pleidooi (pleitnota onder 49) op het punt van belastingschade naar dit bericht verwezen, maar daarbij ging zij uit van de opvatting dat een redelijk handelend ondernemer niet scenario 1 maar een door mr. Schraven voorgesteld derde scenario zou volgen. In dat scenario zou, zo werd namens NWH betoogd, volgens mr. Schraven een belastingschade van ten minste € 361.733,-- en ten hoogste € 659.157,-- optreden. De rechtbank heeft scenario 1 aanvaard en daarmee dit derde scenario verworpen. Onder die omstandigheden behoefde de rechtbank niet in te gaan op de in het onderdeel bedoelde kanttekening die weliswaar in voornoemd bericht voorkomt, maar noch bij pleidooi noch voordien door NWH tot onderdeel van het debat is gemaakt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 april 2005;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NWH begroot op € 5.897,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 oktober 2006.