Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7932

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
C05/249HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij de scheiding en deling van hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap over de peildatum voor de waardebepaling van de voormalige echtelijke woning (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 698
RvdW 2006, 1068
JWB 2006/394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/249HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploot van 19 oktober 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat het resterende bedrag aan overwaarde van de echtelijke woning van ƒ 105.223,22 aan de man dient te worden toebedeeld, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

II. de vrouw te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van ƒ 48.558,70, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, op de gronden vermeld in de dagvaarding verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001, althans vanaf de datum van de dagvaarding, althans vanaf een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, tot aan de dag van de algehele voldoening;

III. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

De vrouw heeft de vordering bestreden en verzocht de verdeling van de gemeenschap als volgt vast te stellen:

- van het bedrag van ƒ 105.223,22, dat onder de notaris berust de man een bedrag toe te scheiden van ƒ 13.753,56 en aan haar een bedrag van ƒ 91.799,66

- voor het overige de goederen te verdelen zoals deze in de praktijk is geschied en ieder van de partijen die goederen toe te scheiden die hij/zij vanuit de gemeenschap heeft verkregen.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 december 2001 een comparitie van partijen gelast. Bij tussenvonnis van 22 oktober 2003 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen, daartoe vragen geformuleerd en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij eindvonnis van 28 januari 2004 heeft de rechtbank de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld overeenkomstig het overwogene in rov. 2, 3 en 4 van het vonnis, voor recht verklaard dat de man gerechtigd is tot het zich in depot bij de notaris bevindende restant van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 897,10, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen het tussenvonnis van 22 oktober 2003 en het eindvonnis van 28 januari 2004 van de rechtbank heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 22 maart 2005 heeft het hof beide vonnissen van de rechtbank vernietigd voorzover het betreft de verdeling van de woning, de waardering daarvan en de verdeling van het restant van de verkoopopbrengst van de woning die zich in depot bij de notaris bevindt en in zoverre opnieuw rechtdoende, de te verdelen overwaarde van de woning vastgesteld op € 153.174,97, bepaald dat de notaris van het bij hem berustende depot € 40.517,88, te vermeerderen met het daarover door de notaris behaalde rendement sedert de verkoop van de woning, aan de vrouw dient te betalen en het restant aan de man, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen vrouw is verstek verleend.

De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 10 november 2006.