Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7929

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2006
Datum publicatie
24-11-2006
Zaaknummer
C05/227HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7929
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHSHE:2013:5883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht, verklaringsprocedure na loonbeslag. Geschil tussen schuldeiser van een werknemer en zijn werkgever onder wie de schuldeiser conservatoire en executoriale loonbeslagen had gelegd, over de onrechtmatigheid van het op de woning van de schuldeiser gelegde conservatoire beslag van de werkgever dat in kort geding is opgeheven; eigen schuld, appelrechter treedt buiten rechtsstrijd met schending van beginsel van hoor en wederhoor door dat beroep te verwerpen op gronden die niet daartoe zijn aangevoerd (art. 24 Rv.), geen belang bij cassatie nu dit verweer zich in de schadestaatprocedure voor behandeling leent en opnieuw aan de orde kan worden gesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 24
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 476a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 539 met annotatie van H.J. Snijders
JOL 2006, 728
RvdW 2006, 1105
JWB 2006/411
JBPR 2007/34 met annotatie van mw. mr. K. Teuben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/227HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STICHTING MAASTRICHT SCHOOL OF MANAGEMENT,

gevestigd te Maastricht,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: respectievelijk [verweerder 1] en [verweerder 2], alsmede tezamen [verweerder] c.s. - hebben bij exploot van 2 december 2002 eiseres tot cassatie - verder te noemen: MSM - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht. Na wijziging van eis hebben [verweerder] c.s. gevorderd MSM te veroordelen tot (zakelijk samengevat)

primair:

te voldoen aan de deurwaarder de volgens de verklaring d.d. 2 juni 1995 verschuldigde geldsommen tot het bedrag waarvoor beslag is gelegd verminderd met hetgeen reeds is betaald, ofwel € 31.522,70,

subsidiair:

1) een verklaring af te leggen van hetgeen MSM van [betrokkene 1] onder zich heeft en/of aan [betrokkene 1] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding voor [betrokkene 1] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene 1] verschuldigd zal worden;

2) nadat die verklaring door MSM zal zijn afgelegd en door de rechtbank te Maastricht zal zijn bepaald of en zo ja in hoeverre die verklaring juist is, hetgeen MSM verschuldigd is, te voldoen;

een en ander met rente en kosten, als in de vordering gespecificeerd.

MSM heeft de vordering bestreden.

Na een op 28 maart 2003 gehouden comparitie van partijen en verder processueel debat, heeft de rechtbank bij vonnis van 3 december 2003 de vorderingen van [verweerder] c.s. afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. In hoger beroep hebben [verweerder] c.s. hun eis vermeerderd en gevorderd:

- het vonnis waarvan beroep te vernietigen;

- MSM te veroordelen tot afdracht/betaling van € 31.522,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2002;

- te bepalen dat MSM onrechtmatig heeft gehandeld door op 30 november 2000 beslag te leggen op de woning van [verweerder 2] en MSM te veroordelen de daarvoor geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2000;

- MSM te veroordelen een door het hof ex aequo et bono te bepalen vergoeding aan [verweerder] c.s. te betalen voor de schade die zij vanaf 1995 respectievelijk 1998 hebben geleden door het afschermen door MSM van het dienstverband tussen MSM International en [betrokkene 1] en door het procesgedrag van MSM tot dat moment.

Bij arrest van 3 mei 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, voor recht verklaard dat MSM onrechtmatig heeft gehandeld door op 30 november 2000 beslag te leggen op de woning van [verweerder 2] en MSM veroordeeld de daarvoor geleden schade aan [verweerder 2] te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2000.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft MSM beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor MSM toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkheid van MSM voorzover het cassatieberoep is gericht tegen verweerder in cassatie sub 1 ([verweerder 1]) en voorzover gericht tegen [verweerder 2], tot vernietiging en verwijzing.

3. De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 Het cassatieberoep heeft uitsluitend betrekking op de beslissing van het hof op de door [verweerder 2] bij memorie van grieven bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering, kort samengevat, tot het geven van een verklaring voor recht dat MSM onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen op de woning van [verweerder 2], en tot veroordeling van MSM tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [verweerder 2] geleden schade, op te maken bij staat. Het hof heeft niet alleen de gevorderde verklaring voor recht gegeven maar ook MSM veroordeeld de door de onrechtmatige beslaglegging geleden schade aan [verweerder 2] te vergoeden.

3.2 Nu aldus het cassatieberoep zich beperkt tot een geschilbeslissing tussen MSM en [verweerder 2] waaruit geen rechten of verplichtingen van of jegens [verweerder 1] voortvloeien, brengt dit mee dat MSM geen belang heeft bij haar beroep voorzover dat is gericht tegen [verweerder 1] en dat zij daarin dan ook niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1. Kort gezegd en voorzover in cassatie van belang gaat het om het volgende.

(i) MSM is in 1999 ontstaan uit een fusie van de Stichting MSM (hierna: MSM (oud)) en MSM Internationaal.

(ii) [Verweerder] c.s. hebben in verband met hun vorderingen op [betrokkene 1] onder MSM (oud), MSM Internationaal en MSM in de jaren 1995-1999 diverse conservatoire en executoriale loonbeslagen gelegd.

(iii) Over een aantal verklaringen die door respectievelijk MSM (oud), MSM Internationaal en MSM in verband met die beslagen zijn afgelegd, zijn, omdat [verweerder] c.s. de juistheid van die verklaringen betwistten, achtereenvolgens drie verklaringsprocedures door [verweerder] c.s. aanhangig gemaakt, waarvan de onderhavige procedure de derde is. [Verweerder] c.s. verwijten MSM daarin (opnieuw) een onjuiste verklaring te hebben afgelegd.

(iv) Nadat de eerste verklaringsprocedure was aanhangig gemaakt, heeft MSM Internationaal in augustus 1998 ter zake van op het loon van [betrokkene 1] verrichte inhoudingen een bedrag van ƒ 35.533,10 aan [verweerder] c.s. betaald.

(v) Dit bedrag heeft MSM in de tegen haar ingestelde tweede verklaringsprocedure in reconventie als onverschuldigd betaald van [verweerder] c.s. teruggevorderd.

De reconventionele vordering is door de rechtbank te 's-Hertogenbosch bij vonnis van 7 februari 2002 afgewezen, welk vonnis bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 januari 2004 is bekrachtigd. In verband met die vordering had MSM in 2000 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [verweerder 2]. Dit beslag is in 2003 door de voorzieningenrechter opgeheven.

4.2 Zoals hiervoor onder 3 reeds is vermeld heeft [verweerder 2] in het hoger beroep in de onderhavige derde verklaringsprocedure ter zake van het hiervoor onder 4.1 (v) genoemde beslag op zijn woning alsnog schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd.

4.3 Het hof heeft die vordering toegewezen en daartoe in rov. 4.14 overwogen:

"Nu de vordering van MSM bij het arrest van dit hof van 27 januari 2004 is afgewezen was het door MSM gelegde beslag onrechtmatig. [Verweerder] heeft de mogelijkheid van schade, alsook het oorzakelijk verband tussen de beslaglegging en de gestelde schade ook aannemelijk gemaakt, zodat de zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen.

[verweerder] was niet zonder meer gehouden in te gaan op het aanbod van MSM het beslag op te heffen tegen het stellen van zekerheid. Een dergelijke zekerheid zou immers kosten voor [verweerder] met zich meebrengen.

Het beroep van MSM op eigen schuld van [verweerder] faalt derhalve."

Hiertegen keert zich het cassatiemiddel met twee onderdelen.

4.4.1 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel dat [verweerder] het oorzakelijk verband tussen de beslaglegging en de gestelde schade aannemelijk heeft gemaakt.

Het onderdeel kan niet slagen. Het beoogt in wezen een hernieuwde beoordeling van hetgeen partijen over en weer in hoger beroep ten aanzien van dit geschilpunt hebben gesteld, maar daarvoor is in cassatie geen plaats. Voor het overige blijkt dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd voor verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure. Zijn oordeel is geenszins onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van partijen, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14 en 3.15.

4.4.2 Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel dat [verweerder] niet zonder meer gehouden was in te gaan op het aanbod van MSM het beslag op te heffen tegen het stellen van zekerheid omdat een dergelijke zekerheid kosten voor [verweerder] zou meebrengen en dat daarom het beroep van MSM op eigen schuld van [verweerder] faalt.

Dit oordeel berust kennelijk op de gedachtegang dat onder de gegeven omstandigheden, gelet op de aan het stellen van zekerheid verbonden kosten, niet van [verweerder] op grond van een schadebeperkingsplicht als door MSM gesteld, kon worden gevergd dat hij inging op het aanbod van MSM het beslag tegen het stellen van zekerheid op te heffen en dat de schade van [verweerder] dan ook niet geheel of gedeeltelijk het gevolg is van de omstandigheid dat hij op dat aanbod niet is ingegaan.

Nu [verweerder] niet een verweer van deze strekking heeft gevoerd tegen het door MSM gedane beroep op eigen schuld, klaagt het onderdeel terecht dat, zakelijk samengevat, het hof aldus oordelend buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door het beroep van MSM op eigen schuld van [verweerder] te verwerpen op een niet door deze aangevoerde grondslag (art. 24 Rv.). Bovendien klaagt het onderdeel terecht dat MSM geen gelegenheid heeft gehad daarop te reageren, zodat het hof MSM tekort heeft gedaan in haar recht zich naar behoren te kunnen verdedigen.

4.5 Hoewel het onderdeel gegrond is, kan het niet tot cassatie leiden. Het hiervoor genoemde beroep van MSM op eigen schuld van [verweerder], is immers, ook indien het gegrond zou worden geoordeeld, niet van dien aard dat het in de weg staat aan toewijzing van de vordering tot veroordeling van MSM tot schadevergoeding op te maken bij staat. Dit verweer leent zich voor behandeling in de schadestaatprocedure en kan daarin opnieuw aan de orde worden gesteld, nu 's hofs oordeel op dit punt in cassatie geen stand heeft gehouden en bijgevolg aan zijn arrest in zoverre geen bindende kracht toekomt.

De overige klachten van het onderdeel behoeven, gelet op het voorgaande, geen behandeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart MSM niet-ontvankelijk in haar beroep voorzover gericht tegen [verweerder 1];

verwerpt het beroep voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 november 2006.