Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7773

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
02536/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7773
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De rechter naar wie de HR na vernietiging van een uitspraak de zaak heeft verwezen, is gebonden aan de door de HR gegeven beslissing (HR NJ 1996, 478). Dit brengt mee dat het hof – gelet op de omvang van het cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem – o.g.v. ’s Hogen Raads beslissing de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw had te berechten en af te doen wat betreft het onder 1, 4 subs., 5 subs., 6 subs., 7 subs., 9 subs., 10 subs. en 14 subs. tenlastegelegde alsmede de strafoplegging t.z.v. – mede – de onder 12 en 13 subs. tenlastegelegde feiten, die door het hof Arnhem zijn bewezenverklaard. Door te oordelen dat de feiten die bij de inleidende dagvaarding onder 1 en onder 14 subs. zijn tenlastegelegd, niet aan zijn oordeel zijn onderworpen en door – naar analogie van art. 423.4 Sv – afzonderlijk straf te bepalen voor die feiten alsmede voor de feiten die overeenkomstig het onder 12 en onder 13 subs. tenlastegelegde door het hof Arnhem bewezen zijn verklaard, heeft het hof de grenzen van de verwijzingsopdracht miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 646
NJ 2006, 579
RvdW 2006, 990

Uitspraak

17 oktober 2006

Strafkamer

nr. 02536/05

EC/MR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juni 2005, nummer 20/001224-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 24 februari 2004, heeft het Hof in hoger beroep een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 12 juni 2001 waarbij de verdachte is vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13 primair en 14 primair tenlastegelegde - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - bevestigd. Voorts heeft het Hof voor de niet aan zijn oordeel onderworpen, ten laste van de verdachte onder 1, 12, 13 subsidiair en 14 subsidiair bewezenverklaarde feiten de straf bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [A] BV toegewezen tot een bedrag van € 9.184,21, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Tot slot heeft het Hof de benadeelde partij [betrokkene 1] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep met inachtneming van 's Hogen Raads te wijzen arrest opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de door de Hoge Raad gegeven verwijzingsopdracht heeft miskend.

3.2. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.

(i) Bij vonnis van 12 juni 2001 is de verdachte door de Rechtbank te Arnhem vrijgesproken van de onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13 primair en 14 primair tenlastegelegde feiten en veroordeeld ter zake van de onder 1, 12, 13 subsidiair en 14 subsidiair tenlastegelegde feiten.

(ii) De Officier van Justitie heeft op 25 juni 2001 hoger beroep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte houdt in - voor zover hier van belang - dat beroep wordt ingesteld "tegen het eindvonnis d.d. 12 juni 2001, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen".

(iii) Bij arrest van 15 februari 2002 heeft het Hof te Arnhem het vonnis van de Rechtbank vernietigd, de verdachte vrijgesproken van de onder 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8, 9 primair, 10 primair, 11, 13 primair en 14 primair tenlastegelegde feiten en hem veroordeeld ter zake van de onder 1, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 9 subsidiair, 10 subsidiair, 12, 13 subsidiair en 14 subsidiair tenlastegelegde feiten.

(iv) De verdachte heeft op 22 februari 2002 cassatieberoep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte houdt in - voor zover hier van belang - dat cassatieberoep wordt ingesteld "tegen het arrest d.d. 15 februari 2002, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen".

(v) De Hoge Raad heeft bij arrest van 24 februari 2004 overwogen dat het cassatieberoep niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken en als volgt beslist:

"Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen omtrent het tenlastegelegde onder 1, onder 4 subsidiair, onder 5 subsidiair, onder 6 subsidiair, onder 7 subsidiair, onder 9 subsidiair, onder 10 subsidiair en onder 14 subsidiair en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige."

(vi) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2005 heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof medegedeeld "dat het hoger beroep zich niet richt tegen de bewezenverklaring door de eerste rechter van het onder 1 en onder 14 ten laste gelegde".

3.3. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Omvang van het hoger beroep

De officier van justitie heeft blijkens mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep zijn appèl voor zover dat na de beslissing in cassatie aan het oordeel van dit gerecht is onderworpen, uitdrukkelijk willen beperken tot de beslissing van de eerste rechter nopens het onder 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 9 subsidiair en 10 subsidiair ten laste gelegde.

Het appèl is derhalve niet gericht tegen de feiten, bewezenverklaard onder 1 en onder 14 subsidiair.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Strafbepaling

Het hof zal, aansluiting zoekende bij het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, een straf bepalen voor de niet aan zijn oordeel onderworpen, bewezenverklaarde feiten, te weten de feiten bij de inleidende dagvaarding onder 1, onder 12, onder 13 subsidiair en onder 14 subsidiair tenlastegelegd, alsmede een beslissing nemen op de -in verband met het door de eerste rechter onder 14 bewezenverklaarde- vordering van de benadeelde partij, [A] alsmede de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep.

Bepaalt de straf voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten, door de rechtbank Arnhem voor wat betreft de bij inleidende dagvaarding onder 1 en 14 subsidiair ten laste gelegde feiten bewezenverklaard en gekwalificeerd als (...),

en door het gerechtshof te Arnhem voor wat betreft de bij inleidende dagvaarding onder 12 en 13 subsidiair ten laste gelegde feiten bewezenverklaard en gekwalificeerd als (...) op een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden."

3.4. De rechter naar wie de Hoge Raad na vernietiging van een uitspraak de zaak heeft verwezen, is gebonden aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing (vgl. HR 27 februari 1996, NJ 1996, 478). Dit brengt mee dat het Hof - gelet op de omvang van het cassatieberoep tegen het arrest van het Hof te Arnhem - op grond van 's Hogen Raads beslissing de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw had te berechten en af te doen wat betreft het onder 1, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 9 subsidiair, 10 subsidiair en 14 subsidiair tenlastegelegde alsmede de strafoplegging ter zake van - mede - de onder 12 en 13 subsidiair tenlastegelegde feiten, die door het Hof te Arnhem zijn bewezenverklaard. Door te oordelen dat de feiten die bij de inleidende dagvaarding onder 1 en onder 14 subsidiair zijn tenlastegelegd, niet aan zijn oordeel zijn onderworpen en door - naar analogie van art. 423, vierde lid, Sv - afzonderlijk straf te bepalen voor die feiten alsmede voor de feiten die overeenkomstig het onder 12 en onder 13 subsidiair tenlastegelegde door het Hof te Arnhem bewezen zijn verklaard, heeft het Hof de grenzen van zijn verwijzingsopdracht miskend.

3.5. Het middel is gegrond.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan wat betreft:

(a) het aan de verdachte onder 1, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 9 subsidiair, 10 subsidiair en 14 subsidiair tenlastegelegde,

(b) de strafoplegging ter zake van - mede - de onder 12 en onder 13 subsidiair tenlastegelegde feiten, die door het Hof te Arnhem zijn bewezenverklaard;

(c) de beslissing omtrent de vorderingen van de hiervoor onder 1 genoemde benadeelde partijen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 oktober 2006.