Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7770

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
02456/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7770
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbeterde lezing door HR van kennelijke misslag in bewezenverklaring waardoor een deel daarvan komt te vervallen. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 647
RvdW 2006, 998

Uitspraak

17 oktober 2006

Strafkamer

nr. 02456/05

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 juli 2005, nummer 20/004173-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 12 augustus 2004 - de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens "in een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 ontoereikend is gemotiveerd. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het slechts beoogt te klagen voor zover bewezen is verklaard dat de verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard: "Ik ken de daders niet".

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 28 juli 2004 te Breda tijdens het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris als getuige in de zaak tegen de (tot dusver) onbekende dader(s) van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (gepleegd op 27 maart 2003 te Kaatsheuvel), nadat hij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard (als antwoord op het citaat behorende bij en op vraag 17): "Ik ken de daders niet." en "Wat u mij voorhoudt, heb ik niet gezegd. De politie liegt". en (als antwoord op het citaat behorende bij en op vraag 18): "Dit klopt niet. Dit heb ik ook niet gezegd"."

4.3. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad neemt echter aan dat het desbetreffende onderdeel van de tenlastelegging als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 oktober 2006.