Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7701

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
C05/166HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid. Geschil tussen een maatschap van belastingadviseurs en de erfgenaam van een – voorheen in het buitenland woonachtige en in Nederland overleden – cliënt over de vraag of de maatschap bij advisering over de mogelijkheid tot belastingbesparing bij overdracht aan zijn kinderen van in Nederland gelegen onroerende zaken toerekenbaar is tekort geschoten in de te betrachten zorgvuldigheid door de fiscale gevolgen van haar advies niet juist weer te geven en niet (voldoende) te waarschuwen voor de uiteindelijk opgetreden fiscale gevolgen (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1866
JOL 2006, 583
RvdW 2006, 930
Belastingadvies 2006/23.1
JWB 2006/335

Uitspraak

6 oktober 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/166HR

JMH/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.B.C. Kloppenburg,

t e g e n

de maatschap ERNST & YOUNG BELASTINGADVISEURS, voorheen geheten Moret Ernst & Young Belastingadviseurs,

gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 7 oktober 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: Ernst & Young - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Ernst & Young te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden een bedrag van ƒ 288.626,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 augustus 1994 tot de dag der algehele voldoening;

2. Ernst & Young te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 42.366,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag aan tevergeefs gemaakte kosten voor advisering, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 augustus 1994 tot de dag der algehele voldoening;

3. Ernst & Young te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 15.000,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag voor kosten ter voorkoming of beperking van schade in de vorm van de fiscale beroepsprocedure;

4. Ernst & Young te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Ernst & Young heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnissen van 24 september 1998 en 20 mei 1999 de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over een voorgenomen deskundigenonderzoek en bij tussenvonnis van 23 september 1999 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd en een vraag geformuleerd.

Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 7 september 2000 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating aan de zijde van [eiser] over de omvang van de schade.

Bij conclusie na interlocutoir vonnis heeft [eiser] gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Ernst & Young te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 248.817,87, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 7.366,87 vanaf 1 februari 1993, over ƒ 223.826,-- vanaf 31 augustus 1994 en over ƒ 17.625,-- vanaf 21 november 2000, telkens tot de dag der betaling met veroordeling van Ernst & Young in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen die van het deskundigenbericht.

Bij vonnis van 28 juni 2001 heeft de rechtbank Ernst & Young veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 223.826,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 1994, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en, alvorens verder te beslissen, de zaak naar de rol verwezen teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen zich bij akte nader uit te laten over de kosten van de fiscale procedure.

Tegen de vonnissen van 24 september 1998, 7 september 2000 en 28 juni 2001 heeft Ernst & Young hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 10 maart 2005 heeft het hof Ernst & Young niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 24 september 1998, de vonnissen van 7 september 2000 en 28 juni 2001 vernietigd, de vorderingen afgewezen en [eiser] in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Ernst & Young heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 16 juni 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ernst & Young begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 6 oktober 2006.