Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7459

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
C05/237HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen energiebedrijf en particulier naar aanleiding van onbetaald gebleven leveringen van water, gas en elektriciteit over de vraag of het energiebedrijf zijn vordering voldoende heeft gespecificeerd door overlegging van voorschotnota’s en jaarafrekeningen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-11-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 675
RvdW 2006, 1042
JWB 2006/379

Uitspraak

3 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/237HR

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.L. Kleyn,

t e g e n

ESSENT ENERGIE NOORD N.V. (voorheen genaamd: N.V. Edon Levering),

gevestigd te Zwolle,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Essent - heeft bij exploot van 12 juni 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Almelo. Na vermindering van eis heeft Essent gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 10.970,81, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 5 september 2001 op 6 november 2001 gehouden comparitie van partijen en een tweede tussenvonnis van 17 april 2002, heeft de rechtbank heeft bij eindvonnis van 3 juli 2002 [eiser] veroordeeld aan Essent te voldoen de somma van € 4.978,34, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Tegen het tussenvonnis van 17 april 2002 en het eindvonnis van 3 juli 2002 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Essent heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar eis vermeerderd met een bedrag van € 1.085,37.

Na een tussenarrest van 8 juni 2004 heeft het hof bij eindarrest van 24 mei 2005 in het principaal en in het incidenteel appel, het tussenvonnis van de rechtbank van 17 april 2002 bekrachtigd, het eindvonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij [eiser] wordt veroordeeld aan Essent te voldoen de somma van € 4.978,34 te vermeerderen met de wettelijke rente en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld aan Essent te voldoen de somma van € 3.469,13 te vermeerderen met de wettelijke rente, verminderd met de in het eindarrest genoemde bedragen. Het hof heeft voorts het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen Essent is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Essent begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 3 november 2006.