Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY7204

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
42173
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7204
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie PG

In de zaken met de nrs. 42 172 en 42 173 staat de vraag centraal of een object, waarvan blijkens de redengevende omschrijving in het register van beschermde monumenten slechts een gedeelte wordt beschermd op grond van de Monumentenwet 1988, voor de toepassing van de Wet WOZ in zijn geheel of slechts gedeeltelijk naar de waarde in het economische verkeer moet worden gewaardeerd.

Belanghebbende was op de waardepeildatum 1 januari 1999 en is thans eigenaar (zie de zaak met nr. 42 172) en gebruiker (de onderhavige zaak) van een onroerende zaak, hierna aan te duiden als het object.

Het object bestaat uit een perceel grond met daarop een militair complex met onder meer kantoor-, legerings-, les- en verzorgingsgebouwen, een schietbaan, bunker, kantines, keukens, een sportschool, sport- en tennisvelden en een dienstwoning, een en ander met bijbehorende grond, vaarwater en voorzieningen.

Een kantoorgedeelte - een gebouw - van het marinecomplex, gelegen in voormalige muurwoningen, is ingeschreven in het register van beschermde monumenten.

In het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep heeft belanghebbende betoogd dat de waarde van het object € 1 bedraagt, zijnde de waarde in het economische verkeer.

Het Hof heeft geoordeeld dat het uitgangspunt van de Wet dat de waarde van een object bepaald wordt of op de (hogere) gecorrigeerde vervangingswaarde of op de waarde in het economische verkeer, uitzondering lijdt ingeval een object bestaat uit een rijksmonumentaal gedeelte en een niet-rijksmonumentaal gedeelte. In dat geval dient het rijksmonumentaal gedeelte gewaardeerd te worden op de voet van art. 17, lid 2 (waarde in het economische verkeer), van de Wet en het niet-rijksmonumentaal deel (voor zover dit niet tot woning dient) op de voet van art. 17, lid 3 (gecorrigeerde vervangingswaarde) van de Wet.

Het Hof heeft het beroep derhalve ongegrond verklaard.(1)

Belanghebbende voert in cassatie aan dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste waarderingsmaatstaf: een methode van waardebepaling heeft te gelden voor de gehele onroerende zaak, het object in de zin van art. 16 van de Wet, niet voor de samenstellende delen van de onroerende zaak afzonderlijk.

In casu is sprake van een object dat voor bepaalde onderdelen als rijksmonument is aan-gemerkt. Belanghebbende betoogt dat als gevolg daarvan de voor het object te hanteren waarderingsmethode in art. 17, lid 3, van de Wet is vastgelegd op die van de waarde in het economische verkeer.

Het Hof miskent de voorschriften van de Wet omtrent objectafbakening en waardebepaling: de bewoordingen van de Wet zijn - volgens het middel - zodanig stellig dat het in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever moet worden geacht dat het gehele object in de zin van art. 16 van de Wet als een rijksmonument wordt beschouwd voor de toepassing van voornoemd art. 17.

Conclusie

Het onderhavige complex bestaat uit een samenstel van gebouwde en ongebouwde eigendommen als bedoeld in art. 16, aanhef en onderdeel d van de Wet, dat voor de toepassing van de Wet als één onroerende zaak dient te worden aangemerkt.

Art. 17, lid 3, van de Wet regelt - kort gezegd - dat onroerende zaken in bepaalde gevallen niet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, maar naar de (hogere) gecorrigeerde vervangingswaarde. Van deze regel worden uitgesloten - opnieuw kort gezegd - onroerende zaken die als monument zijn ingeschreven.

De in dit artikellid gebezigde term 'onroerende zaak' kan in principe elk van de betekenissen hebben die daaraan in art. 16 van de Wet worden gegeven. Daarom kan het waarderingsvoorschrift ex art. 17, lid 3, van de Wet in voorkomende gevallen aldus worden gelezen dat een samenstel van eigendommen wordt gewaardeerd naar de (hogere) gecorrigeerde vervangingswaarde met uitzondering van een daarvan deel uitmakend gebouwd eigendom dat als monument is ingeschreven.

Deze op de tekst van de wet gebaseerde benadering strookt met de bedoeling van de wetgever om (slechts) te voorkomen dat rijksmonumenten, die een lage waarde in het economische verkeer vertegenwoordigen, door toepassing van het bepaalde in art. 17, lid 3, van de Wet, alsnog met 'hoge heffingen' worden belast.

Het Hof is tot de in cassatie niet bestreden conclusie gekomen dat het onderhavige object bestaat uit een monumentaal gedeelte en een niet als rijksmonument aan te merken gedeelte.

Uitgaande van deze door het Hof vastgestelde 'afbakening', is in casu terecht de litigieuze onroerende zaak - een gebouwd eigendom in de zin van art. 16 onderdeel a van de Wet -, die als zodanig in de redengevende omschrijving in het register van beschermde monumenten is opgenomen, gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer.

Daaruit vloeit voort dat voor de overige onderdelen van het object (voor zover dat niet tot woning dient) de waarde (daarom) terecht is bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde van art. 17, lid 3, van de Wet.

Conclusie: het beroep is ongegrond.

1 Hof Amsterdam, 15 april 2005, nr. 03/00634.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd.