Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY6940

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
03209/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY6940
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8478
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Van door een feitelijkheid dwingen ex art. 242 Sr tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (HR NJ 2000, 125). Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer aan verdachte aanvankelijk te kennen heeft gegeven niet op zijn seksuele toenadering te willen ingaan. Het hof heeft blijkens de bewezenverklaring voorts geoordeeld dat verdachte daaraan opzettelijk voorbij is gegaan door: haar te bevelen 'zich van onderen te gaan wassen'; te zeggen dat hij seks met haar wilde hebben en met haar wilde vrijen; haar te bevelen haar nachtjapon en onderbroek uit te trekken; met zijn lichaam op het slachtoffer te gaan liggen; haar te zeggen dat ze haar benen wijd moest doen en zijn penis in de vagina van het slachtoffer te brengen. Het hof heeft verder kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, gelet op de geringe weerbaarheid van het slachtoffer waarvan verdachte op de hoogte was, de gedragingen en de mondelinge uitlatingen van verdachte een zodanig lichamelijk en geestelijk overwicht opleverden dat het slachtoffer daaraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde aan verdachtes wensen te voldoen. Gelet op het voorgaande is ‘s hofs oordeel dat sprake is geweest van 'door feitelijkheden dwingen' a.b.i. in art. 242 Sr, onjuist noch onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 414
NBSTRAF 2006/414
JOL 2006, 612
NJ 2006, 624
RvdW 2006, 952

Uitspraak

10 oktober 2006

Strafkamer

nr. 03209/05

SG/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 juni 2005, nummer 23/002485-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in Huis van Bewaring "Het Schouw" te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 22 juni 2004 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 4. primair, 4. subsidiair, 4. meer subsidiair en 4. meest subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toegewezen en aan de verdachte betalings-verplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde straffen.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van feit 5 een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip dwingen door feitelijkheden als bedoeld in art. 242 Sr, althans dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

4.2. Onder 5 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 4 september 2003 tot en met 5 september 2003 te Zwaag, gemeente Hoorn door feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte die [slachtoffer 2] heeft bevolen zich van onderen te gaan wassen en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij seks met haar wilde en/of met haar wilde vrijen en die [slachtoffer 2] heeft bevolen haar nachtjapon en onderbroek uit te trekken en met zijn lichaam op die [slachtoffer 2] is gaan liggen en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij haar benen wijd moest doen en zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en die [slachtoffer 2] door lichamelijk en geestelijk overwicht het gevoel heeft gegeven dat zij gedwongen werd het seksueel binnendringen te ondergaan."

4.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2005, voor zover inhoudende:

"U vraagt mij wat mijn indruk was met betrekking tot de verstandelijke vermogens van [slachtoffer 2].

Volgens mij heeft [slachtoffer 2] wel een laag intelligentie quotiënt. Ik heb haar aangesproken, waarop zij een brief aan mij stuurde. Ik ben toen met [slachtoffer 2] naar bed geweest."

- De verklaring van de getuige [slachtoffer 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2005, voor zover inhoudende:

"[Verdachte] kwam op bezoek bij mij. Dat was op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. [Verdachte] wilde verkering met mij, maar ik moest er over nadenken. [Verdachte] zei tegen mij dat ik naar boven moest gaan om mijzelf van onderen te wassen. Ik dacht toen dat ik dat maar moest doen. Ik vond het eigenlijk wel raar. Op dat moment was ik erg bang. Ik dacht dat [verdachte] seks met mij wilde. In de badkamer heb ik mijzelf van onderen gewassen. [Verdachte] kwam toen ook naar boven toe, naar de slaapkamer. Ik had toen een onderbroek en een nachtjapon aan en ik ben naar de slaapkamer gegaan. [Verdachte] zei tegen mij dat ik mijn nachtjapon en onderbroek uit moest doen. Dat heb ik vervolgens gedaan. [Verdachte] zei tegen mij dat ik op bed moest gaan liggen. Hierna kwam [verdachte] boven op mij liggen. Ik vond dat niet prettig, maar ik durfde dat niet tegen [verdachte] te zeggen. Ik was heel bang. [Verdachte] wilde met mij neuken. Ik was bang en ik durfde geen 'nee' te zeggen. Ik liet het toe dat [verdachte] mij probeerde te neuken, omdat ik bang was voor [verdachte]."

- Een proces-verbaal van 3 juni 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] voornoemd:

"Ik heb [verdachte] uitgenodigd voor de koffie voor donderdag 4 september of vrijdag 5 september (het hof begrijpt: 2003). [Verdachte] heeft geprobeerd seks met mij te hebben terwijl ik dat niet wilde. Ik heb gevoeld dat hij met zijn penis een klein stukje bij mij naar binnen is gegaan. Het is niet gelukt om verder naar binnen te dringen, omdat mijn lichaam zich verzette. Ik heb [verdachte] wel laten merken dat ik het niet wilde. Ik heb hem gezegd dat we elkaar pas kenden en dat je dan niet meteen seks hebt. Hij probeerde mij over te halen en zei dat hij zin had. Ik heb mij wel zodanig verzet dat het hem niet lukte om seks met mij te hebben. Ik heb ook tegen hem gezegd: "Hou op, het lukt niet"."

- Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van van [slachtoffer 2] voornoemd:

"Donderdag 4 september 2003 had ik een afspraak met [verdachte]. [Verdachte] zei dat hij wel seks met mij wilde hebben. Hij zei ook dat hij met mij wilde vrijen. Ik zei toen tegen hem dat het geen zin had omdat ik het niet gauw toelaat. Ik wilde niet echt seks met hem. Dit had ik hem beneden ook al verteld. Je vraagt aan mij waarom ik het toch deed. Ik was echt bang. Mijn handen stonden te trillen en als ik bang ben, klap ik dicht en dan weet ik niet meer wat ik moet zeggen. Ik kon hem niet aan. Ik durfde niets te zeggen en ik ben een meisje alleen. Ik was bang dat [verdachte] mij iets aan zou doen. Hier bedoel ik mee dat hij mij pijn zou doen. Ik moest op bed gaan liggen. [Verdachte] ging toen boven op mij liggen. Ik moest mijn benen wijd doen. Volgens mij zei [verdachte] dat ik mijn benen wat uit elkaar moest doen. Ik voelde dat hij met zijn penis in mijn vagina heen en weer ging."

- Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"[Slachtoffer 2] is een beetje labiel. Zij heeft een achterstand. Ik ben een keer naar haar woning toegegaan en ik heb [slachtoffer 2] daar geneukt. Dat was 's avonds."

- Een verslag van 7 november 2003, opgemaakt door J.E.M. Verhelst, huisarts, betreffende medische informatie, voor zover van belang inhoudende:

"Medische informatie betreffende:

[Slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

Omschrijving van het letsel:

Irritatie bij vagina.

Bijzondere mededelingen:

[Slachtoffer 2] is niet opgewassen tegen fysieke en psychische overmacht."

4.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer als bedoeld in art. 242 Sr slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000, 125).

4.5. Het Hof heeft blijkens de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vastgesteld dat het slachtoffer aan de verdachte aanvankelijk te kennen heeft gegeven niet op zijn seksuele toenadering te willen ingaan. Het Hof heeft blijkens de bewezenverklaring voorts geoordeeld dat de verdachte daaraan opzettelijk voorbij is gegaan door:

- haar te bevelen 'zich van onderen te gaan wassen';

- te zeggen dat hij seks met haar wilde hebben en met haar wilde vrijen;

- haar te bevelen haar nachtjapon en onderbroek uit te trekken;

- met zijn lichaam op het slachtoffer te gaan liggen;

- haar te zeggen dat ze haar benen wijd moest doen en

- zijn penis in de vagina van het slachtoffer te brengen.

Het Hof heeft verder kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, gelet op de geringe weerbaarheid

van het slachtoffer waarvan de verdachte op de hoogte was, de gedragingen en de mondelinge uitlatingen van de verdachte een zodanig lichamelijk en geestelijk overwicht opleverden dat het slachtoffer daaraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde aan verdachtes wensen te voldoen. Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat sprake is geweest van 'door feitelijkheden dwingen' als bedoeld in 242 Sr, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

4.6. Het middel faalt.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 oktober 2006.