Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY6205

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
R06/081HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY6205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bopz, verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf die de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz in aanvulling op zijn verzoek om een voorwaardelijke machtiging – wegens ontbrekende instemming van de met voorwaardelijk ontslag buiten het ziekenhuis verblijvende betrokkene – subsidiair had verzocht; (on)toelaatbaarheid van het gebruik van een geneeskundige verklaring bij verlening van een andere maatregel; ontvankelijkheid van het (subsidiaire) verzoek na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 14a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 579
NJ 2007, 257
RvdW 2006, 928
JWB 2006/333
BJ 2006/47 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/081HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats], verblijvende te [verblijfplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.

1. Het geding in feitelijke instantie

Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 april 2005 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verleend tot en met 7 maart 2006. Op 20 januari 2006 heeft de geneesheer-directeur van het Psychiatrisch Centrum Zon en Schild te Amersfoort aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleend.

De officier van justitie in het arrondissement te Utrecht heeft bij verzoekschrift van 1 februari 2006 aan de rechtbank aldaar, onder overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in art 14a lid 4 Bopz, alsmede een afschrift van het behandelingsplan en de medische aantekeningen als bedoeld in art. 37a Bopz, verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank heeft betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouwe en de waarnemend psychiater op 6 maart 2006 gehoord. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de rechter medegedeeld dat de rechtbank, gelet op het ontbreken van instemming van betrokkene met het behandelingsplan en de voorwaarden, de beslissing op het verzoek aanhoudt teneinde de officier van justitie op grond van art. 8a Bopz in de gelegenheid te stellen een andere maatregel te verzoeken.

Bij verzoekschrift gedateerd 16 maart 2006 heeft de officier van justitie in aanvulling op zijn eerdere verzoek, subsidiair, een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht als bedoeld in art. 15 Bopz.

Op 28 maart 2006 heeft de rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouwe, de behandelend psychiater en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de subsidiair verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend tot en met 28 februari 2007 en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Utrecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie gaat het om het volgende.

(i) De rechtbank heeft op 22 april 2005 een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor het tijdvak tot en met 7 maart 2006.

(ii) Op 20 januari 2006 heeft de geneesheer-directeur van het Psychiatrisch Centrum Zon en Schild te Amersfoort betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleend.

(iii) Bij verzoekschrift van 1 februari 2006 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene. De officier van justitie heeft daarbij een op 26 januari 2006 opgemaakte geneeskundige verklaring overgelegd als bedoeld in art. 14a lid 4 Wet Bopz, alsmede een afschrift van het behandelingsplan en de medische aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz.

(iv) De rechtbank heeft het verzoek willen behandelen op 20 februari 2006, maar betrokkene is toen niet verschenen. Op 6 maart 2006 heeft alsnog een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Aan het slot van de behandeling heeft de rechter medegedeeld dat de rechtbank, gelet op het ontbreken van instemming van betrokkene met het behandelingsplan en de voorwaarden, de beslissing aanhoudt teneinde op grond van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andere maatregel te verzoeken.

(v) De officier van justitie heeft bij verzoekschrift van 16 maart 2006 in aanvulling op zijn eerdere verzoek, subsidiair, een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. Het verzoekschrift vermeldt dat betrokkene inmiddels weer in het psyschiatrisch ziekenhuis was opgenomen.

(vi) Op 28 maart 2006 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van het verzoek voortgezet. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en zijn raadsvrouwe, de behandelend psychiater en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. De rechtbank heeft diezelfde dag een beschikking gegeven en de subsidiair verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor het tijdvak tot en met 28 februari 2007.

3.2.1 Onderdeel 1 houdt in dat de rechtbank niet een machtiging tot voortgezet verblijf had mogen verlenen nu de officier van justitie (slechts) een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 14a lid 4 Wet Bopz heeft overgelegd en niet een verklaring als bedoeld in art. 16 Wet Bopz.

Het onderdeel is terecht voorgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie bij zijn verzoek een geneeskundige verklaring heeft overgelegd als bedoeld in art. 14a, vierde lid, Wet Bopz, dat wil zeggen een verklaring die is vereist voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. Nu de rechtbank niet heeft vastgesteld dat deze verklaring ook de gegevens bevat die de rechter nodig heeft voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, had de rechtbank niet op basis van deze geneeskundige verklaring de, na toepassing van art. 8a Wet Bopz aanvullend subsidiair verzochte, machtiging tot voortgezet verblijf mogen verlenen (vgl. HR 29 april 2005, nr. R05/018, LJN AT1744).

3.2.2 Onderdeel 2 klaagt dat de rechtbank uit het oog heeft verloren dat het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf niet mogelijk was, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, nu het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van die machtiging eerst is gedaan op 16 maart 2006, derhalve na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging, die liep tot en met 7 maart 2006.

Het onderdeel faalt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat betrokkene op 28 maart 2006 nog in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. In een zodanig geval kan, ook wanneer het verzoekschrift door de officier van justitie is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verlenen (vgl. HR 19 januari 1996, nr. 8761, NJ 1996, 604).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 28 maart 2006;

verwijst de zaak naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 6 oktober 2006.