Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY5693

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
C05/247HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY5693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid. Geschil tussen een ziekenhuis en een patiënt met zuivere nekhernia die als gevolg van (verergering van) klachten aan nek en rechterarm zijn baan is kwijtgeraakt en inmiddels is aangewezen op een elektrische rolstoel, over vergoeding van schade die de patiënt heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming door de behandelend neurochirurg in de nakoming van diens informatieplicht voorafgaande aan zijn operatie; maatstaf, stelplicht en bewijslast, HR komt niet terug van HR 23 november 2001, nrs. C99/259 en C00/069, NJ 2002, 386 en 387; toerekening van postoperatieve klachten, causaal verband (in de zin van conditio sine qua non verband).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-09-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/146 met annotatie van W.R. Kastelein
GJ 2006/136 met annotatie van R.W.M. Giard
JOL 2006, 572
RvdW 2006, 909
VR 2007, 37
JWB 2006/316

Uitspraak

29 september 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/247HR

JMH/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

de stichting STICHTING GEZONDHEIDSZORG OOSTELIJK ZUID-LIMBURG, handelende onder de naam Ziekenhuis De Wever en Gregorius,

gevestigd te Heerlen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mrs. R.S. Meijer en E.M. Tjon-En-Fa.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 1 april 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat, ook ten aanzien van de proceskosten:

1. te verklaren voor recht dat de Stichting aansprakelijk is voor de gevolgen van de op hem op 28 mei 1993 uitgevoerde operatie;

2. de Stichting deswege te veroordelen om aan [eiser] te voldoen alle geleden en nog te lijden schade, subsidiair een in goede justitie te bepalen percentage hiervan, naar aanleiding van voornoemde onjuiste operatie, die schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente over alle uit te keren bedragen vanaf 1 mei 1995 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de Stichting in de kosten van dit geding.

De Stichting heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 maart 1999 de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten omtrent een voorgenomen deskundigenonderzoek en bij tussenvonnis van 2 november 2000 een verhoor van een deskundige bevolen, een deskundige benoemd en vier vragen geformuleerd. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 3 mei 2001 wederom de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de identiteit van de te benoemen deskundige op het vakgebied van de neurochirurgie en bij tussenvonnis van 30 augustus 2001 een nieuwe deskundige benoemd en vier vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 27 augustus 2003 de gevorderde verklaring voor recht uitgesproken en de Stichting veroordeeld tot vergoeding van alle geleden en nog te lijden schade, haar in de proceskosten veroordeeld en dit vonnis met betrekking tot de schadestaat en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen de vijf gewezen vonnissen heeft de Stichting bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 17 mei 2005 heeft het hof:

- de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de vonnissen van 3 mei 2001 en 30 augustus 2001;

- het vonnis van 25 maart 1999 bekrachtigd met uitzondering van een tweetal door de rechtbank onder 2 vastgestelde feiten, waarover in de grieven I en II terecht is geklaagd;

- het vonnis van 2 november 2000 vernietigd, voor zover daarin het beroep van de Stichting op schending van het beginsel van hoor en wederhoor is verworpen;

- het vonnis van 27 augustus 2003 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] afgewezen, en

- [eiser] veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

Namens beide partijen is op die conclusie gereageerd, door mr. Garretsen bij brief van 29 mei 2006 en door mr. Meijer bij brief van 2 juni 2006.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in rov. 4.2.1-4.2.12 van het bestreden arrest. Samengevat gaat het om het volgende.

(i) In januari 1993 heeft [eiser] zich tot zijn huisarts gewend met klachten aan zijn nek en rechterarm. In april 1993 heeft hij zich opnieuw tot zijn huisarts gewend omdat de klachten in de rechteronderarm aanhielden, heviger werden en zich inmiddels ook pijn had ontwikkeld aan rechterhand en -vingers, gepaard gaande met tintelingen. Nadat de huisarts röntgenfoto's had laten maken is [eiser] naar de neuroloog verwezen.

(ii) [Eiser] werd voor onderzoek opgenomen in het Maaslandziekenhuis te Geleen op de afdeling van de neuroloog [betrokkene 1], wegens plaatsgebrek op de afdeling van [betrokkene 2], [eiser]' neuroloog. Op 12 mei 1993 werd [eiser] door [betrokkene 1] onderzocht; [betrokkene 1] deelde [eiser] op 14 mei 1993 mee dat sprake was van artrose. Er werd een afspraak gemaakt voor een consult bij de neurochirurg [betrokkene 3].

(iii) [Betrokkene 3] deelde bij dat consult op 17 mei 1993 aan [eiser] mee dat hij een zuivere nekhernia had die goed te opereren was en dat [eiser] voor de operatie nog uitgebreid daarover zou worden geïnformeerd.

(iv) Op 27 mei 1993 is [eiser] voor de operatie opgenomen in het De Wever Ziekenhuis te Heerlen en op 28 mei 1993 is de operatie door [betrokkene 3] uitgevoerd.

(v) Op 17 juni 1993 berichtte [betrokkene 3] de huisarts van [eiser] over de uitgevoerde operatie:

"Patiënt werd op 28.05.1993 geopereerd. Op klassieke wijze wordt een disectomie verricht op het niveau C6&C7 en vervolgens een partiële cerporectomie aan de achterzijde van C6 en C7. Het postoperatieve verloop was rustig. Patiënt was klachtenvrij. Het herstel verliep vlot. Klassiek is wat ook bij deze man voorkomt dat enkele dagen na de operatie hij toch een terugval had. Al met al is hij in goede conditie ontslagen. (04.06.93) Wij zien hem ter zijner tijd ter controle."

(vi) Enige tijd na de operatie heeft [eiser] toch weer pijn gekregen aan zijn nek en rechterarm. De huisarts schreef op 16 juni 1993 een halskraag voor tegen de pijn en [betrokkene 3] schreef op 15 juli 1993 een recept tegen de pijn voor.

(vii) In de periode september - december 1993 heeft [eiser] in verband met genoemde postoperatieve klachten [betrokkene 3] en [betrokkene 2] geconsulteerd, waarvan [betrokkene 2] verslag heeft gedaan aan [eiser]' huisarts. [Betrokkene 2] schreef onder meer dat sprake was van "cervicobrachialgie rechts zonder duidelijke oorzaak" en dat hij "nog geen duidelijke diagnose kan stellen".

(viii) Op 18 januari 1994 is [eiser] op verzoek van zijn huisarts onderzocht door [betrokkene 4], neurochirurg in het AZM. [Betrokkene 4] schreef op 24 januari 1994 aan [eiser]' huisarts:

"Ik denk dat een hernieuwde ingreep weinig verbetering brengt. Sommige klachten zijn terug te voeren tot de wortel C7 maar de andere klachten wijzen meer op spondylarthrosis. De wortel is door de operatie vrijgelegd maar helaas is hierop geen duidelijke verbetering opgetreden. Ik denk niet dat een hernieuwde ingreep de zo gewenste verbetering wel zal brengen. (...) Patiënt wijt ook veel klachten aan wat moeilijke werkomstandigheden. Ongetwijfeld zal ook een rol spelen, het feit dat hij thuis met 2 gehandicapte kinderen zit. Al met al denk ik dat patiënt toch wat last zal blijven houden m.a.w. dat er ook een acceptatie zal moeten plaatsvinden. 1 jaar na de operatie is meestal een eindtoestand bereikt. Het kan daarbij nog wel wat verbeteren maar indrukwekkende veranderingen verwacht ik niet."

(ix) Op 20 juni 1994 werden op verzoek van [betrokkene 4] door de afdeling Radiodiagnostiek van AZM van [eiser] standaardopnamen van de cervicale wervelkolom gemaakt, aangevuld met opnamen na toediening van gadolinium. In het verslag van de radiologen is onder conclusie vermeld:

"Normaal post-operatief beeld met hernia operatie op niveau C 6-7. Geen aanwijzingen voor compressie van het myelum dan wel uittredende wortels."

(x) In een brief van 1 juli 1994 schreef [betrokkene 4] na een gesprek met [eiser] aan de huisarts:

"Op 28 juni 1994 zag ik op de neurochirurgische polikliniek, uw patiënt [eiser]. (...) Zoals u weet is onlangs bij patiënt een MRI onderzoek gedaan in verband met zijn nek en armproblematiek. Dit laat de bekende versmalling zien op het niveau C6-C7, wat terug te voeren is op de doorgemaakte operatie. Myelumcompressie wordt niet gevonden. De wortels treden vrij uit.

Gezien de bevinding heeft een neurochirurgische ingreep geen zin. Ik heb dit patiënt verteld. Patiënt zelf zit met het feit dat hij toch de indruk heeft dat hij achteruit gaat. Ik heb hem geadviseerd dan toch contact op te nemen met de neuroloog voor verdere neurologische controle. Op dit moment heb ik voor de eventuele achteruitgang geen duidelijke neurochirurgische verklaring."

(xi) Bij [eiser] heeft zich na de operatie in 1993 een scala aan klachten ontwikkeld, ten gevolge waarvan [eiser] zijn baan is kwijtgeraakt; hij heeft niet aflatende pijnen van zodanige aard dat hij voor pijnstilling is aangewezen op opiaten; sprake is van een zodanig functieverlies dat hij inmiddels is aangewezen op een elektrische rolstoel.

3.2 De rechtbank heeft de hiervoor in 1 vermelde vorderingen van [eiser] toegewezen, maar het hof heeft die vorderingen alsnog afgewezen.

3.3 Het hof heeft - in cassatie niet bestreden - in rov. 4.8 geoordeeld dat in hoger beroep ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] voorafgaand aan de operatie niet althans onvoldoende door [betrokkene 3] is geïnformeerd, waarmee vaststaat dat [betrokkene 3] jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting [eiser] te informeren, en dat de Stichting voor de dientengevolge geleden schade aansprakelijk is. Het hof heeft vervolgens in rov. 4.9 beoordeeld of de schade van [eiser] is veroorzaakt door die toerekenbare tekortkoming. 's Hofs overwegingen dienaangaande in rov. 4.9-4.11 houden het volgende in.

a. Het hof heeft, verwijzende naar de arresten van de Hoge Raad van 23 november 2001, nrs C99/259 en C00/069, NJ 2002, 386 en 387, overwogen dat de verplichting van de arts de patiënt voorafgaande aan een medische behandeling te informeren over de eventuele risico's van de voorgestelde behandeling niet ertoe strekt de patiënt tegen deze risico's te beschermen doch om de patiënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen of hij al dan niet toestemming voor de behandeling zal geven; ingeval de bedoelde risico's zich vervolgens verwezenlijken, dient de patiënt te stellen en te bewijzen dat hij, indien hij voldoende was ingelicht, als redelijk handelende patiënt en/of om redenen van persoonlijke aard niet voor deze behandeling zou hebben gekozen.

b. Voorts overwoog het hof

"Daarnaast dient vast te staan, dat er causaal verband bestaat tussen de vanwege het ziekenhuis uitgevoerde, door [eiser] naar hij stelt bij een juiste voorlichting door hem afgewezen, operatie zelf en de klachten die de grondslag vormen van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding. Indien komt vast te staan dat de klachten niet het gevolg zijn van de operatie, kan de vordering in ieder geval niet op die grond worden toegewezen en behoeft niet nader onderzocht of [eiser], indien goed geïnformeerd, de operatie zou hebben geweigerd."

c. Het hof heeft vervolgens (in rov. 4.10) met overneming van de conclusie van de door de rechtbank benoemde deskundige prof. Avezaat de vraag of de huidige situatie kan worden verklaard door de operatie aan de halswervelkolom ontkennend beantwoord. Uit het deskundigenrapport, waarin is gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de operatie niet volgens de regelen der kunst is uitgevoerd, haalde het hof onder meer het volgende aan:

"Het uitblijven van succes van de onderhavige operatie zou hoogstens kunnen hebben geleid tot het uitblijven van een effect op de klachten van betrokkene. Een verergering van de klachten, zeker in de mate waarin deze zij bij patiënt heeft voorgedaan, kan niet aan de operatie worden toegeschreven. Het röntgenonderzoek dat na de operatie is verricht laat een uitgesproken goed resultaat zien van de decompressie van de wortel. De klachten kunnen uit deze foto's niet worden verklaard."

d. Het hof voegde hieraan ten overvloede toe dat deze conclusie van prof. Avezaat overeenstemt met de resultaten van het onderzoek zoals dat na de operatie bij [eiser] door neuroloog [betrokkene 2] en neurochirurg [betrokkene 4] is verricht.

e. Hieruit heeft het hof afgeleid (in rov. 4.11) dat niet is komen vast te staan dat de klachten van [eiser] hun oorzaak vinden in de operatie zelf, zodat het feit dat [eiser] voorafgaande aan de operatie niet dan wel onvoldoende is geïnformeerd niet leidt tot een verplichting tot vergoeding van de door [eiser] gestelde schade. De schade is immers niet door de operatie ontstaan zodat het niet geven van de informatie irrelevant is en niet meer behoeft te worden beoordeeld of [eiser], ingeval hij volledig zou zijn geïnformeerd, van de operatie zou hebben afgezien.

3.4.1 Middel III komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de hiervoor samengevatte oordelen van het hof in rov. 4.9-4.11.

3.4.2 De onderdelen 3.2 en 3.3 (onderdeel 3.1 bevat slechts een inleiding) zijn gebaseerd op een andere rechtsopvatting dan in de door het hof genoemde arresten van de Hoge Raad van 23 november 2001 als juist is aanvaard. De onderdelen falen daarom.

3.4.3 Onderdeel 3.4 keert zich tegen het hiervoor in 3.3 onder b weergegeven oordeel van het hof. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend "dat elke operatie als zodanig een (beroeps-)risico in zich houdt zodat in en met een feitelijk uitgevoerde operatie dat (beroeps-)risico als zodanig reeds is gegeven indien zich na het uitvoeren van die operatie klachten voordoen die zich voordat de operatie werd uitgevoerd niet of niet in die omvang of verschijningsvorm voordeden, en dat in die of zodanige situatie alleen nog aan de orde is (of: kan zijn) de toerekening van alle of alleen bepaalde gevolgen, en zulks weer vanuit deze specifieke (medische) achtergrond bezien of deze gevolgen in algemene zin dan wel alleen specifieke gevolgen redelijkerwijs of logisch zijn te verwachten gelet op de beschikbare en ook hier aanwezige medische voorkennis en informatie". Deze klacht is volgens het onderdeel nader uitgewerkt en toegelicht door vermelding in 3.4.1- 3.4.5 van een aantal uitgangspunten van feitelijke aard.

3.4.4 Voorzover deze klacht voortbouwt op de onderdelen 3.2 en 3.3 stuit zij af op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen.

Voorzover bedoeld wordt te betogen dat alle klachten die zich na een operatie voordoen en die zich vóór de operatie niet of niet in dezelfde mate voordeden, ongeacht of de postoperatieve klachten in causaal verband (in de zin van sine qua non verband) staan tot de uitgevoerde operatie, moeten worden toegerekend aan de behandelend arts die verzuimd heeft de patiënt voldoende over de operatie te informeren, berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige miskent de klacht dat het hof, zoals hiervoor in 3.3 onder c en d is vermeld, heeft geoordeeld dat de huidige klachten niet aan de - volgens de regelen der kunst uitgevoerde - operatie kunnen worden toegeschreven en dat het uitblijven van succes van de onderhavige operatie hoogstens zou hebben kunnen leiden tot het uitblijven van een effect op de klachten van betrokkene, maar niet tot een verergering van de klachten zoals deze zich bij [eiser] heeft voorgedaan. De vermelde uitgangspunten van feitelijke aard maken het voorgaande niet anders.

3.5 De in de overige onderdelen van middel III en de in de middelen I, II, IV en V aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 september 2006.