Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY4033

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
R05/063HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY4033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak; rechtspersonenrecht, arbitragerecht. Geschil tussen aandeelhouders samen met de vennootschap tegen een andere aandeelhouder; bevoegdheid overheidsrechter, op de voet van art. 500 (oud) RvNA hadden de aandeelhouders niet de vrije beschikking om de rechtsgeldigheid van besluiten van de AvA - tot benoeming en ontslag van bestuurders - en die van een bestuurder aan de beslissing van een scheidsman te onderwerpen; tussenkomst overheidsrechter, werking ‘erga omnes’ van rechterlijke uitspraak over rechtsgeldigheid van besluit, rechtszekerheid derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 561 met annotatie van H.J. Snijders
JOL 2006, 689
RO 2007, 3
RvdW 2006, 1055
TVA 2008, 11
JRV 2007, 68
JWB 2006/389
JBPR 2007/32 met annotatie van mr. B.A. Boersma
JOR 2007/5 met annotatie van P. Sanders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2006

Eerste Kamer

Nr. R05/063HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

3. [Eiser 3],

4. [Eiser 4],

alle wonende in Nederland,

5. de naamloze vennootschap naar Nederlands-Antilliaans recht GROENSELECT MANAGEMENT N.V.,

gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te Costa Rica,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 7 oktober 2002 ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen en Aruba, zittingsplaats Curaçao, ingekomen verzoekschrift hebben eisers tot cassatie zich gewend tot dat gerecht en verzocht

1. te verklaren voor recht dat:

a. de op 15 maart 2002 gehouden aandeelhoudersvergadering van eiseres tot cassatie sub 5 (verder ook te noemen: Groenselect) en de door haar genomen besluiten niet rechtsgeldig zijn;

b. de door verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - vervolgens na deze aandeelhoudersvergadering zonder medeweten van eisers in cassatie sub 1 - 4 bijeengeroepen aandeelhoudersvergadering inclusief de daar genomen besluiten alle niet rechtsgeldig zijn;

c. de door Forestry N.V. - als (niet-rechtsgeldig benoemde) bestuurder van Groenselect - genomen besluiten niet rechtsgeldig zijn;

2. [verweerder] te veroordelen tot betaling van alle door eisers in cassatie sub 1 - 4 geleden en te lijden schade tenminste betaande uit een bedrag van US$ 20.000,--, verder op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. [verweerder] te veroordelen tot betaling van alle schade die Groenselect heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerder] heeft bij incidentele conclusie ten aanzien van alle eisers de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen en subsidiair de vordering bestreden en tevens in reconventie gevorderd

a. te een verklaren voor recht dat het benoemingsbesluit van [eiser 2] ongeldig is;

b. eisers in conventie te veroordelen de inschrijving in het handelsregister van de benoeming van [eiser 2] ongedaan te maken;

c. eisers in cassatie sub 1-4 te veroordelen mee te werken aan (i) de benoeming bij besluit van een door [verweerder] bijeengeroepen aandeelhoudersvergadering van een onafhankelijke directeur van Groenselect die woonachtig of gezeteld is te Curaçao, en (ii) het doen inschrijven van deze directeur in het handelsregister;

d. eisers in cassatie sub 1-4 te veroordelen in de kosten door [verweerder] ter zake van deze procedure gemaakt, welke in ieder geval Naf 15.000,-- belopen;

e. eisers in cassatie sub 1-4 te veroordelen in de schade die [verweerder] door de onderhavige onrechtmatige daad heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Eisers hebben vervolgens een antwoord in het incident genomen en de vordering in reconventie bestreden.

Bij tussenvonnis van 23 juni 2003 heeft het gerecht zich bevoegd verklaard van het onderhavige geschil kennis te nemen, hierna heeft het gerecht bij eindvonnis van 12 januari 2004, verbeterd bij herstelvonnis van 9 februari 2004, de vorderingen in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen.

Tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van het gerecht heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Bij vonnis van 8 februari 2005 heeft het Gemeenschappelijk Hof de bestreden vonnissen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, verstaan dat de Nederlands-Antilliaanse rechter onbevoegd is om van de vordering van eisers kennis te nemen.

Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het Hof hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is voor eisers toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 28 juli 2006 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eisers] en [verweerder] houden ieder 20 % van de aandelen in Groenselect Management N.V.(verder: Groenselect), opgericht op 7 september 1999.

(ii) [Eisers] en [verweerder] hebben op 11 december 2001 een "intentieovereenkomst" gesloten. In de artikelen 10 en 11 van deze overeenkomst wordt bepaald dat tussen partijen, zowel voor reeds gemaakte als voor nog te maken afspraken, uitsluitend door hen uitdrukkelijk schriftelijk vastgelegde en ondertekende afspraken gelden. Art. 9 van de intentieovereenkomst bepaalt dat indien partijen van mening verschillen over hetgeen voortvloeit uit of samenhangt met deze overeenkomst, ieder van de partijen een partijvertegenwoordiger zal benoemen en dat die partijvertegenwoordigers tezamen met mr. A. de Leeuw uit Ede bindend zullen beslissen hoe het verschil van inzicht zal worden opgelost.

(iii) Op 15 maart 2002 hebben [eisers] een aandeelhoudersvergadering bijeengeroepen waarin [eiser 2] tot bestuurder van Groenselect werd benoemd. [Verweerder] heeft zich ten aanzien van deze benoeming beroepen op art. 7 lid 4 van de op 1 september 1999 tussen partijen gesloten oprichtingsovereenkomst, dat een beperkt vetorecht toekent aan elke aandeelhouder betreffende besluiten van de aandeelhoudersvergadering.

(iv) Op 8 april 2002 heeft [verweerder] overeenkomstig het bepaalde in de statuten van Groenselect door een oproep in een locale krant op Curaçao een aandeelhoudersvergadering bijeengeroepen die niet door de overige aandeelhouders werd bijgewoond. In deze vergadering, waarvoor [eisers] niet persoonlijk waren uitgenodigd, is Forestry tot bestuurder van Groenselect benoemd, met gelijktijdig ontslag van [eiser 2].

(v) Op 2 oktober 2002 hebben [eisers] een aandeelhoudersvergadering bijeengeroepen waarbij alle aandeelhouders aanwezig, dan wel vertegenwoordigd waren. Tijdens deze vergadering is Forestry als bestuurder van Groenselect ontslagen. Ten aanzien van dit besluit heeft [verweerder] zich beroepen op het beperkte vetorecht van art. 7 lid 4 van de oprichtingsovereenkomst.

(vi) In een arbitrageovereenkomst, getekend op 10 april 2002, hebben [eisers] en [verweerder], daarbij refererend aan de intentieovereenkomst van 11 december 2001, verklaard te hebben besloten tot een vereenvoudigde verkorte procedure voor geschillenbeslechting. Zij hebben de eerder overeengekomen geschillenregeling zo gewijzigd dat in het vervolg eventuele meningsverschillen zouden worden voorgelegd aan mr. A. de Leeuw.

(vii) In een brief van 24 juni 2002 heeft mr. De Leeuw voornoemd aan [verweerder] bericht dat hij van [eisers] zes klachten heeft ontvangen ter arbitrage.

3.2 In dit geding heeft de rechtsstrijd in hoger beroep zich toegespitst op beantwoording van de vraag of over het geschil tussen partijen geoordeeld dient te worden door de overheidsrechter, dan wel door mr. De Leeuw. Het gerecht in eerste aanleg heeft zichzelf bevoegd geacht over het geschil te oordelen, maar het Gemeenschappelijk Hof heeft de door het gerecht gewezen vonnissen vernietigd en verstaan dat de Nederlands-Antilliaanse rechter onbevoegd is om van de vordering van [eisers] kennis te nemen. In de kern heeft het Hof daartoe overwogen dat de intentieovereenkomst, naar redelijkheid uitgelegd met inachtneming van de Haviltexformule, meebrengt dat de geschillen tussen [eisers] enerzijds en [verweerder] anderzijds aan arbitrage zijn onderworpen en dat dit ook het geval is ten aanzien van Groenselect, nu haar materieel- en procesrechtelijke positie zozeer verweven is met die van [eisers], dat de uitspraak van de Nederlands-Antilliaanse rechter in redelijkheid ook ten aanzien van Groenselect dient te gelden.

3.3 Onderdeel 1.3 van het tegen dit oordeel gerichte middel houdt, kort samengevat, met name in dat het Hof heeft miskend dat partijen niet bevoegd zijn vorderingen die, zoals de hiervoor in 1 onder 1(a)-(c) vermelde, ertoe strekken de nietigheid in te roepen van een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders en/of het bestuur van een naamloze vennootschap, te onderwerpen aan de beslissing van een scheidsman. Partijen hebben over zodanige vorderingen immers niet de vrije beschikking in de zin van art. 500 (oud) RvNA.

3.4 Bij de beoordeling van het onderdeel moet, gelet op de toepasselijke bepalingen van overgangsrecht, worden uitgegaan van de tot 1 augustus 2005 (op welke datum ingevolge de Landsverordening van 29 april 2005, Pb. 2005, nr. 59, een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in werking is getreden) geldende bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen en Aruba. De toentertijd geldende regels inzake arbitrage, de artikelen 500 e.v. (oud) RvNA, komen overeen met de in Nederland tot 1 december 1986 geldende bepalingen van de artikelen 620 e.v. (oud) Rv.

Art. 500 lid 1 (oud) RvNA luidt als volgt:

"Ieder is bevoegd om geschillen omtrent rechten, waarover hij de vrije beschikking heeft, aan de beslissing van scheidsmannen te onderwerpen."

Het onderdeel stelt in wezen de vraag aan de orde of partijen de vrije beschikking hebben over de rechtsgeldigheid van de hiervoor in 1 (a)-(c) bedoelde besluiten in de zin van art. 500 lid 1 (oud) RvNA. Dienaangaande is van belang dat de hiervoor in 1 weergegeven vorderingen van [eisers] onder 1 (a)-(b) betrekking hebben op door de algemene vergadering van aandeelhouders van Groenselect genomen besluiten tot benoeming en ontslag van bestuurders van die vennootschap. De vordering onder 1 (c) heeft betrekking op de rechtsgeldigheid van de door Forestry als bestuurder van Groenselect genomen besluiten.

3.5 De zojuist geformuleerde vraag moet ontkennend worden beantwoord. In de eerste plaats moet worden aangenomen dat vernietiging van een besluit van een rechtspersoon met het oog op de daaruit, zowel voor de rechtspersoon als voor derden, voortvloeiende (vaak ingrijpende) rechtsgevolgen en in verband met de rechtszekerheid, niet ter vrije beschikking van partijen staat. In de tweede plaats dient de rechterlijke uitspraak waarin de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon wordt vastgesteld of die zulk een besluit vernietigt, zowel wanneer het besluit slechts interne werking heeft als wanneer het ook externe werking heeft, naar haar aard te gelden ten opzichte van een ieder en niet alleen ten opzichte van degene die de vernietiging heeft verzocht. Voor deze algemene werking is tussenkomst van de burgerlijke rechter noodzakelijk.

3.6 Onderdeel 1.3 treft dus doel. De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.

3.7 Onderdeel 2 is gericht tegen de beslissing van het Hof dat ook Groenselect het arbitraal beding tegen zich dient te laten gelden, gelet op de nauwe verwevenheid van haar materieel- en procesrechtelijke positie met die van [eisers].

Aangezien door onderdeel 1.3 met succes het oordeel van het Hof is bestreden dat het onderhavige beding in de weg staat aan beoordeling door de overheidsrechter van de vorderingen van [eisers] betreffende de onder 1 (a)-(c) bedoelde besluiten, is in zoverre ook de grondslag ontvallen aan het onderhavige oordeel van het Hof. Daarom heeft Groenselect geen belang bij de behandeling van onderdeel 2 voor zover dit betrekking heeft op de rechtsgeldigheid van de zojuist bedoelde besluiten. Zij heeft daarbij echter wél belang ten aanzien van de vordering onder 3, die strekt tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden door het optreden van [verweerder].

3.8 In zoverre treft onderdeel 2.9 van het middel doel.

Het onderdeel betoogt terecht dat het Hof heeft miskend dat Groenselect een eigen vordering tot schadevergoeding tegen [verweerder] heeft ingesteld die op een andere grondslag berust dan de vordering van [eisers].

Ook in zoverre kan het bestreden vonnis dus geen stand houden. De overige klachten van onderdeel 2 behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 8 februari 2005;

verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 359,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op

10 november 2006.