Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY3689

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
41801
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 60, lid 3, jo. art. 51a, lid 3, Wet IB 1964; art. 16 AWR. Voor terugkomen op beschikking vaststelling nog te verrekenen bedrag ter zake van verlies uit aanmerkelijk belang gelden dezelfde vereisten als voor opleggen van navorderingsaanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/298 met annotatie van Van Leijenhorst
Belastingadvies 2006/16.5
V-N 2006/39.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.801

14 juli 2006

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 februari 2005, nr. 03/02517, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 60, lid 3, in verbinding met artikel 51a, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van een aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2000, het op 31 december 2000 ter zake van het verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag bij beschikking van 19 december 2001 vastgesteld op ƒ 1.227.496.

Bij beschikking van 24 juni 2003 is voornoemde beschikking herzien en het ter zake van het verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag nader vastgesteld op nihil. De herzieningsbeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is technisch ingenieur en dreef aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw voor zijn rekening en risico een onderneming. Hij heeft in 1989 zijn onderneming met toepassing van artikel 18 van de Wet ingebracht in de daartoe op 29 december 1989 opgerichte besloten vennootschap A B.V. (hierna: de BV).

3.1.2. De BV is gefinancierd door een in Brits West-Indië gevestigde rechtspersoon, B Ltd (hierna: de Ltd). Bij akte van 9 maart 1990 heeft belanghebbende zijn 1.165.000 aandelen in de BV, elk ƒ 10 nominaal, aan de Ltd verkocht en in eigendom overgedragen voor ƒ 1.

3.1.3. In mei 1991 zijn de activiteiten van de BV stilgelegd. In 1998 is een kort-gedingprocedure aangespannen tegen de Ltd wat erin heeft geresulteerd dat bij vonnis van 24 februari 1998 de Ltd is veroordeeld om - kort gezegd - mee te werken aan de overdracht van het volledige aandelenpakket van de BV aan belanghebbende of een door hem aan te wijzen vennootschap. Op 29 december 1998 is door een notaris een proces-verbaal van levering op de voet van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek opgemaakt.

3.1.4. Belanghebbende heeft bij akte van 28 december 2000 op grond van een koopovereenkomst geleverd 500.000 aandelen in de BV voor de koopprijs van ƒ 1 aan C Holding B.V. In laatstgenoemde besloten vennootschap is belanghebbende voor 75 percent middellijk aandeelhouder.

3.1.5. Belanghebbende heeft op 19 november 2001 voor het jaar 2000 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 75.525. In de aangifte is melding gemaakt van een verlies uit aanmerkelijk belang van ƒ 4.999.999. Op 19 december 2001 heeft de Inspecteur, conform de gedane aangifte, aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met toepassing van artikel 60 van de Wet. Gelijktijdig met deze voorlopige aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking het op 31 december 2000 ter zake van een verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag vastgesteld op ƒ 1.227.496 (25 percent van ƒ 4.999.999 minus het over een belastbaar inkomen van ƒ 75.525 verschuldigde bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van ƒ 22.503).

3.1.6. Bij de beoordeling van de aangifte heeft de Inspecteur de juistheid onderzocht van het daarin door belanghebbende opgenomen verlies uit aanmerkelijk belang. Bij de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2000 heeft de Inspecteur het bedoelde verlies niet geaccepteerd. In het aanslagbiljet is geen melding gemaakt van een ter zake van een verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag. De Inspecteur heeft het tegen de opgelegde aanslag ingediende bezwaar afgewezen. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. In het heden in de zaak met nummer 41800 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest wordt het daartegen ingestelde beroep in cassatie ongegrond verklaard.

3.1.7. Tijdens de behandeling van het hiervoor in 3.1.6 bedoelde bezwaar heeft de Inspecteur geconstateerd dat aan

belanghebbende, gelijktijdig met het opleggen van een voorlopige aanslag voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, eveneens conform de gedane aangifte een beschikking was gegeven als bedoeld in artikel 60, lid 3, van de Wet, inhoudende een ter zake van een verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag van ƒ 1.227.496. Bij de thans bestreden beschikking heeft de Inspecteur het ter zake van een verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag nader vastgesteld op nihil.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de op 19 december 2001 aan belanghebbende gegeven beschikking niet als een voorlopige beschikking kan worden aangemerkt waarop het algemene voorbehoud van toepassing is dat in het aanslagbiljet, waarin deze beschikking is opgenomen, wordt gemaakt.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur in het onderhavige geval bij het opleggen van de voorlopige aanslag terecht mocht uitgaan van de gegevens die in de aangifte werden verstrekt, en dat dit evenzeer heeft te gelden voor het geven van de beschikking op grond van artikel 60, lid 3, van de Wet, omdat de in de aangifte verstrekte gegevens naar het oordeel van het Hof niet zodanig van inhoud of presentatie zijn dat zij de Inspecteur reeds bij het voorlopig en kennelijk op administratief niveau beoordelen van de aangifte tot nader onderzoek door de Inspecteur hadden moeten nopen. Dit wordt niet anders doordat ten gevolge van het geautomatiseerde proces dat voor 2000 nog werd toegepast, bij het opleggen van een voorlopige aanslag voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een beschikking ter zake van een wegens verlies uit aanmerkelijk belang nog te verrekenen bedrag wordt opgemaakt, die is gebaseerd op de uit die voorlopige aanslag voortvloeiende cijfers, aldus het Hof. Van een ambtelijk verzuim van de Inspecteur is volgens het Hof geen sprake.

3.3. De middelen, die 's Hofs oordelen bestrijden, worden terecht voorgesteld. De aan de oordelen ten grondslag liggende veronderstelling dat voor het vaststellen van een beschikking als de onderhavige dezelfde criteria gelden als voor het opleggen van een voorlopige aanslag, is niet juist, omdat - anders dan een voorlopige aanslag - een beschikking als de onderhavige geen voorlopig karakter heeft. Voor het terugkomen van een dergelijke beschikking gelden derhalve dezelfde vereisten als voor het opleggen van een navorderingsaanslag.

3.4. Gelet op het vorenoverwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103,

en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vice-president D.G. van Vliet, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2006.