Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY3642

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
41228
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ1723
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet WOZ; beoordeling functionele veroudering door taxateur mogelijk zonder eigen inpandige opname? Invloed bestemmingsplanwijziging op waarde in het economische verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.228

14 juli 2006

RS

gewezen op het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 juni 2004, nr. P03/01148, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak Wenckebachweg 48 te Amsterdam (hierna: de onroerende zaak) voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op € 47.231.260.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de directeur van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam (hierna: de directeur) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de directeur vernietigd en de waarde nader vastgesteld op € 40.000.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

Het college heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.

Het college heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. Bij het Hof heeft de directeur een taxatierapport in het geding gebracht waarin de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak (bij drie verschillende uitgangspunten) is bepaald op respectievelijk € 58.047.000, € 47.262.500 en € 35.736.000. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak is in het taxatierapport - uitgaande van de herontwikkeling van de onroerende zaak tot een complex voor studentenhuisvesting en een wijziging van de bestemming - bepaald op € 46.834.000.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de directeur de gecorrigeerde vervangingswaarde van respectievelijk € 58.047.000 en € 47.262.500 niet aannemelijk heeft gemaakt. Vervolgens heeft het de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak bepaald op € 40.000.000. Omdat dit bedrag hoger is dan de door de directeur meer subsidiair bepleite gecorrigeerde vervangingswaarde van € 35.736.000 heeft het Hof laatstgenoemde waardebepaling onbesproken gelaten.

4. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

4.1. 's Hofs oordeel dat de directeur de door hem primair en subsidiair bepleite waarden niet aannemelijk heeft gemaakt (onderdeel 5.2 respectievelijk 5.3 van de bestreden uitspraak), berust op de overweging dat een beoordeling van de functionele veroudering niet kan plaatsvinden zonder dat daartoe de onroerende zaak inpandig is opgenomen door de taxateur, wat in het onderhavige geval niet is gebeurd.

4.2. Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte eerste onderdeel van het middel in het incidentele beroep moet veronderstellenderwijze worden uitgegaan van de juistheid van de door het Hof onbesproken gelaten stelling van de directeur (pleitnota zitting Hof) dat de onroerende zaak op 1 maart 2001 inpandig is opgenomen door een tweetal toenmaals aan zijn Dienst verbonden taxateurs, H en J.

4.3. Aangenomen dat deze stelling niet aan de aandacht van het Hof is ontsnapt, ligt in zijn hiervoor in 4.1 weergegeven overweging het oordeel besloten dat beoordeling van de functionele veroudering niet kon plaatsvinden zonder inpandige opname door de opsteller van het taxatierapport, de door het Hof in onderdeel 2.3 van zijn uitspraak genoemde taxateur E.

4.4. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien het er van uitgaat dat de opsteller van een taxatierapport zich nimmer zou mogen verlaten op informatie die een collega-taxateur heeft vergaard bij een inpandige opname, omdat dat uitgangspunt in zijn algemeenheid onjuist is. Indien het oordeel niet op een onjuiste rechtsopvatting berust, is het zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, omdat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent eventuele ontoereikendheid van de door H en J tijdens hun inpandige opname vergaarde informatie, noch omtrent eventuele gebrekkigheid van de overdracht van de door hen vergaarde informatie aan E. Derhalve slaagt het middelonderdeel, dat hierover klaagt.

4.5. Het hiervoor in 4.4 overwogene ondermijnt tevens onderdeel 5.6 van 's Hofs uitspraak, voorzover het Hof daarin bij zijn oordeel dat het achterstallig onderhoud door de directeur niet in voldoende mate in aanmerking is genomen, voortbouwt op zijn hiervoor in 4.1 weergegeven overweging. Het tweede onderdeel van het middel in het incidentele beroep slaagt derhalve eveneens.

4.6. Het eerste middel in het principale beroep (beroepschrift in cassatie onder 3) keert zich vruchteloos tegen onderdeel 5.5 van 's Hofs uitspraak. Aldaar heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel een potentiële koper bij de bepaling van het bedrag waarvoor hij de onderhavige onroerende zaak op de waardepeildatum zou willen verwerven, ervan zou zijn uitgegaan dat bij beëindiging, op of rond die datum, van het gebruik van de zaak als penitentiaire inrichting, de gemeente medewerking zou verlenen aan wijziging van de (publiekrechtelijke) bestemming, met name aan een wijziging tot bestemming van het complex voor huisvesting van studenten of jongeren in het algemeen. In dit oordeel ligt besloten dat de bestemming welke ingevolge het gemeentelijke bestemmingsplan aan de onroerende zaak is gegeven - te weten die van penitentiaire inrichting - in het kader van de waardebepaling niet van belang is, aangezien de gemeente bereid zou zijn deze bestemming te wijzigen zodra de Staat deze zaak niet langer zou gebruiken als penitentiaire inrichting. Dat het Hof deze bereidheid van de gemeente aannemelijk heeft geacht is een oordeel dat als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het behoefde in het licht van hetgeen partijen over en weer voor het Hof hebben aangevoerd ook geen nadere motivering dan gegeven. Indien van die bereidheid wordt uitgegaan is juist dat bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer de vigerende bestemming niet van belang is.

4.7. Het vijfde en zesde middel in het principale beroep (beroepschrift, paragrafen 7 en 8) klagen terecht over misstellingen in de Hofuitspraak.

4.8. Gelet op het hiervoor in 4.4, 4.5 en 4.7 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen in het principale beroep behoeven thans geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde vragen kunnen, voorzover nodig, na verwijzing aan de orde komen.

5. Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep van belanghebbende zal het college worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Wat betreft het incidentele cassatieberoep van het college acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart zowel het principale beroep als het incidentele beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het college aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en

veroordeelt het college in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2006.