Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY0318

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
03133/05 H
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2001:AB2802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2006

Strafkamer

nr. 03133/05 H

IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 juli 2001, nummer 21/002065-00, ingediend door mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van het indienen van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, locatie Groot Bankenbosch, te Veenhuizen.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 8 augustus 2000 - de aanvrager ter zake van 1. "het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij telkens opdracht tot het feit heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" en "het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij telkens opdracht tot het feit heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging", 2. "het medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij telkens opdracht tot het feit heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" en 3. "als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven. Tevens heeft het Hof de vorderingen van de nader aangeduide benadeelde partijen toegewezen en aan de aanvrager te hunnen behoeve een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de overige benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is op 3 november 2005 bij de Hoge Raad ingediend. Op 10 maart 2006 heeft mr. Goris een aanvulling op de aanvrage ingediend.

De aanvrage en de aanvulling daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. De bewezenverklaring

Ten laste van de aanvrager is - met inachtneming van het hierna onder 4 genoemde arrest van de Hoge Raad - bewezen verklaard:

"1. dat de Vereniging [A] (ook wel genaamd Vereniging [A]) en/of de Stichting [A] op tijdstippen in de periode van 1 augustus 1996 tot en met 1 oktober 1998 te Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen 1. een (groot) aantal contract(en), (o.m.) gesloten met de personen zoals vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijst 1 en lijst 2 en 3. een rapport gedateerd "Arnhem, 9 januari 1998" genaamd:

"BASRALOKUS HOUT

DE EIGENSCHAPPEN EN HET GEBRUIK

Een korte samenvatting,

Rapport geschreven door:

[betrokkene 1], [B] B.V. (privaat onderneming ingenieurs Universiteit van Wageningen)" - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van het daarin gestelde te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft de Vereniging [A] (ook wel genaamd Vereniging [A]) en/of de Stichting [A] en/of zijn/haar mededader(s) (telkens) valselijk ad 1. in voornoemde contract(en) onder meer vermeld dat:

- zakelijk weergegeven -

a. koper(s) (van verkoper [A]) een of meer houtopstand(en) in het Kabo-gebied te Suriname in (economisch) eigendom, dan wel het exploitatierecht hiervan krijgen, terwijl de Vereniging [A] en/of de Stichting [A] in werkelijkheid ten tijde van het sluiten van die overeenkomst(en) (telkens) niet bevoegd was/waren die rechten over te dragen en ad 3. de cijfers in het hoofdstuk "marktwaarde", welk hoofdstuk is overgenomen uit een notitie d.d. 9 januari 1998 van [betrokkene 1] in voornoemd rapport veranderd in "voor gerede producten US$ 800 (gezaagd hout) - US$ 1600 (parket) c.i.f. per m3", zulks terwijl die cijfers onder het hoofdstuk "marktwaarde" in voormelde notitie van [betrokkene 1] in werkelijkheid "voor gerede producten US$ 400 (gezaagd hout) - US$ 650 (parket) c.i.f. per m3" waren en op het voorblad van voornoemd rapport [B] B.V. in verband gebracht met de Landbouwuniversiteit van Wageningen, zulks terwijl in werkelijkheid [B] B.V. geen "privaat onderneming ingenieurs Universiteit van Wageningen" is,zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)

en

dat de Vereniging [A] (ook wel genaamd Vereniging [A]) en/of de Stichting [A] op tijdstippen in de periode van 1 augustus 1996 tot en met 1 oktober 1998 te Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van na te noemen valse of vervalste geschriften, als waren die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, te weten:

1. een (groot) aantal contracten, (o.m.) gesloten met de personen zoals vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijst 1 en lijst 2, inhoudende (zakelijk weergegeven) o.m. dat de in de voornoemde contracten vermelde "koper" de (economische) eigendom dan wel het exploitatierecht kreeg geleverd van een of meer houtopstanden en 3. een rapport gedateerd "Arnhem, 9 januari 1998" genaamd:

"BASRALOKUS HOUT

DE EIGENSCHAPPEN EN HET GEBRUIK

Een korte samenvatting,

Rapport geschreven door:

[betrokkene 1], [B] B.V. (privaat onderneming ingenieurs Universiteit van Wageningen)", inhoudende (zakelijk weergegeven) o.m. dat als marktwaarde "voor gerede produkten US$ 800 (gezaagd hout) - US$ 1600 (parket) c.i.f. per m3" wordt genoteerd, zijnde (elk) een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat de Vereniging [A] (ook wel genaamd Vereniging [A]) en/of de Stichting [A] en/of zijn/haar mededader(s) aan (een) koper(s) van een of meer voornoemde houtopstanden als bewijs van zijn/haar belegging, een exemplaar van voornoemde contracten en/of voornoemd rapport van

[betrokkene 1] ter informatie opstuurde(n) bestaande dat valse of vervalste (telkens) hierin dat ad 1: de Vereniging [A] en/of de Stichting [A] in werkelijkheid niet bevoegd was/waren de economische eigendom, dan wel het exploitatierecht van een of meer houtopstanden over te dragen en ad 3: als marktwaarde voor gezaagd hout door [betrokkene 1] in zijn notitie van 9 januari 1998 (bijlage 3.3 in G014) in werkelijkheid $400 en voor parket c.i.f. per m3 $650 was vermeld en/of [B] B.V. in werkelijkheid geen "privaat onderneming ingenieurs Universiteit van Wageningen" is, terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en).

2. dat de Vereniging [A] (ook wel genaamd Vereniging [A]) en/of de Stichting [A] op tijdstippen in de periode van 1 augustus 1996 tot en met 12 maart 1999 te Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgre(e)p(en) en door een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal personen, zoals vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijsten 1 en 2, ook wel "Koper(s)" genoemd, heeft/hebben bewogen tot afgifte van ruim f 12.000.000,-, te weten (een) investering(en)/beleggingen tot een bedrag van ruim f 12.000.000,- in een bosbouwproject in Suriname waarmee de economische eigendom en/of het exploitatierecht van een of meer houtopstand(en) werd(en) gekocht hebbende de valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of samenweefsel van verdichtsels hierin bestaan dat de Vereniging [A] (ook wel genaamd de Vereniging [A]) en de Stichting [A] en haar mededader(s):

toen daar opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- zich bij voornoemde personen (kopers) hebben gepresenteerd als (een op verantwoorde bosbouw georiënteerde) beleggingsinstelling dan wel beleggingsconsortium dan wel als "financiële dienstverlener met een eigen beleggingsprodukt voor investeerders en beleggers" en

- in een aantal verschillende landelijke dagbladen hebben geadverteerd en in versies van de uitgegeven en aan (potentiële) beleggers toegezonden prospectus(sen) over [A] hebben vermeld - zakelijk weergegeven -:

- dat de Nederlandse overheid zou hebben besloten dat er vanaf het jaar 2000 hoofdzakelijk verantwoord geproduceerd hout geïmporteerd mag worden en

- dat dit hout met een groene sticker zou worden gekenmerkt en

- het project nu door een onafhankelijke certificerende instantie, S.G. S., uit Oxford zou worden gecontroleerd en

- rond november 1998 het eerste hout met pré-keurmerk vanuit Suriname zou worden geëxporteerd naar Nederland en

- de Reclame Code Commissie enkele belangrijke punten van het produkt van [A] zou hebben beoordeeld en dat [A] o.a. zou hebben kunnen aantonen dat het rendement van 11,6 % gegarandeerd zou zijn en dat [A] het enige houtfonds zou zijn met een dergelijke prestatie en/of

- brieven en/of "artikelen" aan (potentiële) kopers/beleggers/inleggers heeft/hebben verstuurd, te weten:

- een brief met de aanhef: "Geachte geinteresseerde" met onder meer de passage: "[A] heeft een succesvol jaar achter de rug. De beleggingsafdeling behaalde een rendement van 84% op jaarbasis en is daarmee de best scorende beleggingsinstelling van Nederland geworden" en

- een brief met de aanhef: "Geachte geinteresseerde" met onder meer de passage: "Inmiddels hebben de eerste investeerders een bonusuitkering ontvangen van ruim 60% op jaarbasis. Tevens is [betrokkene 1], verbonden aan de Universiteit van Wageningen, geconsulteerd om de bosbouwplannen verder te ontwikkelen. (...) Tevens wordt met behulp van uw investering en die van de Nederlandse overheid het oerwoud beschermd." en

- een "artikel" waarin het beleggingsprodukt van [A] wordt belicht, waarvan het woord "advertorial" onleesbaar was gemaakt,

waardoor er bij voornoemde (potentiële) kopers/beleggers/inleggers een valse voorstelling van zaken werd gewekt;

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en).

3. hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 1996 tot en met 12 maart 1999 in Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, als bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van feit te dienen, valselijk opmaken of vervalsen, (telkens) met het oogmerk om die als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en

- opzettelijk gebruik maken van (het) valse of vervalste geschrift(en) als ware het echt en onvervalst dan wel zodanig geschrift opzettelijk afleveren of voorhanden hebben, wetende of redelijkerwijs moeten vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd is/zijn voor zodanig gebruik en

- met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door gebruik te maken van listige kunstgrepen en/of door gebruik te maken van een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) personen bewegen tot afgifte van geldsbedragen."

4. Het beroep in cassatie

In cassatie heeft de Hoge Raad bij zijn arrest van 20 april 2004, NJ 2004, 681, de uitspraak van het Hof, waarvan thans herziening wordt gevraagd, vernietigd wat betreft de in het onder 1 bewezenverklaarde feit telkens onder 2 en ad 2 vermelde onderdelen, de verdachte van die onderdelen vrijgesproken en het beroep voor het overige verworpen. Het arrest van de Hoge Raad houdt, voorzover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, het volgende in:

"6. Beoordeling van het negende middel

6.1. Het middel behelst de klacht dat het, hierboven onder 5.2 weergegeven, onder 1 bewezenverklaarde feit niet voldoende met redenen is omkleed, voorzover het betreft het onderdeel, kort gezegd, dat de Vereniging [A] en/of de Stichting [A] in werkelijkheid ten tijde van het sluiten van de contracten niet bevoegd was/waren aan de kopers een of meer houtopstand(en) in het Kabo-gebied te Suriname in (economische) eigendom over te dragen, dan wel het exploitatierecht hiervan over te dragen. In de toelichting wordt gesteld dat het Hof zonder nadere motivering niet heeft kunnen aannemen dat

[A] niet gerechtigd was het exploitatierecht inzake de economische eigendom van de houtopstand aan de kopers over te dragen.

6.2. Blijkens de bewijsmiddelen heeft het Hof ten aanzien van het vorenbedoelde onderdeel van het onder 1 bewezenverklaarde feit het volgende vastgesteld.

(i) Blijkens de desbetreffende contracten verkoopt en levert de Stichting [A] voor [A] Suriname aan [betrokkene 4] respectievelijk aan [betrokkene 5] als koper het exploitatierecht inzake het economische eigendom van bepaalde houtopstanden in het Kabo-gebied. De koper verkrijgt naar luid van de overeenkomst voorts een bepaalde hoeveelheid m³ houtopstand in eigendom voor het bedrag van de koopsom. De kopers hebben de overeengekomen koopsom voldaan.

(ii) Blijkens het desbetreffende, door de Stichting [A] uitgegeven, eigendomscertificaat is de certificaathouder/koper [betrokkene 6] eigenaar van een bepaalde houtopstand. Voorts heeft deze volgens dit certificaat de rechten inzake de bosbouwconcessie ter grootte van 38.000 hectare tropisch oerwoud en betreft de economische eigendom een bepaalde hoeveelheid m³ hout op 10 hectare bosgrond, terwijl naar luid van de bijbehorende voorwaarden de Stichting [A] namens [A] Suriname verkoopt en levert aan [betrokkene 6] als koper het exploitatierecht inzake de economische eigendom van de bepaalde houtopstand in het Kabo-gebied. De koper heeft de verschuldigde koopsom voldaan.

(iii) NV [C] bezit concessies op percelen bosgrond in Suriname. Deze bosgrond is eigendom van de Surinaamse overheid en deze concessies geven NV [C] het recht om in die gebieden stammen af te oogsten, te verwerken en door te verkopen. De overeenkomst tussen de Vereniging [A] en NV [C] houdt onder meer het volgende in.

NV [C] verbindt zich jegens [A] om jaarlijks een deel groot 1000 hectare van aan NV [C] toekomende concessiegebieden met uitsluiting van derden ter beschikking te stellen voor de exploitatie van daarop voorkomende houtsoorten. De Vereniging [A] verbindt zich dit areaal te exploiteren "teneinde gedurende een periode van een jaar het beschikbaar gestelde areaal van 1000 hectare te hebben afgebakend". De Vereniging [A] zal gedurende het eerste jaar van de overeenkomst aan NV [C] in het afgebakende gebied per kubieke meter hout een bepaalde prijs verschuldigd zijn, waarvan betaling zal plaatsvinden zodra de afbakening op 10 hectare is geschied. [A] of de aan [A] gelieerde belegger verkrijgt met de betaling van deze bedongen prijs per kubieke meter de bomen op stam in eigendom.

[A] is gerechtigd bomen op stam door te verkopen c.q. te plaatsen aan/bij investeerders die aan en/of via [A] gelieerd zijn aan het project. Er bestaat geen relatie tussen de klanten van [A] en NV [C]

(iv) Voormelde overeenkomst van de Vereniging [A] met NV [C] houdt als belangrijkste voorwaarde in dat de Vereniging [A] het exploitatierecht pas kan doorverkopen als aan twee voorwaarden is voldaan: (a) het te exploiteren gebied moet zijn afgebakend; dit houdt in dat door lijnkappen een gebied van 10 hectare zichtbaar wordt; de aldus zichtbaar gemaakte houtopstanden worden "bomen op stam" genoemd, en (b) deze "bomen op stam" mogen pas door [A] doorverkocht worden als daarvoor een bepaald koopbedrag was betaald aan NV [C] Tot het moment waarop aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan [A] geen exploitatierecht of houtopstanden doorverkopen.

(v) De onder (iv) bedoelde koopsom is door [A] niet aan NV [C] voldaan en de percelen zijn niet afgebakend.

6.3. Het Hof heeft op grond van zijn vaststellingen en de aan het Hof voorbehouden uitleg van de overeenkomsten met de kopers klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat het hier gaat om een, kennelijk niet louter verbintenisrechtelijk bedoelde, constructie, waarbij de Stichting [A] het exploitatierecht van het aan de Vereniging [A] krachtens haar overeenkomst met NV [C] toekomende - in de contracten met de kopers als economische eigendom aangeduide - exploitatierecht inzake de houtopstanden aan de kopers verkocht en overdroeg. Volgens de, niet onbegrijpelijke, aan het Hof voorbehouden, uitleg van het contract tussen de Vereniging [A] en NV [C] kwam aan de Vereniging [A] het bedoelde exploitatierecht slechts voorwaardelijk toe, hielden de voorwaarden in dat de Vereniging [A] het in dat contract bedoelde exploitatierecht eerst verkreeg in geval het desbetreffende gebied was afgebakend en de overeengekomen koopprijs per kubieke meter hout aan NV [C] was betaald en mocht de Vereniging [A] totdat aan die voorwaarden was voldaan geen exploitatierechten aan derden overdragen. Voorts heeft het Hof, evenmin onbegrijpelijk, aangenomen dat de bedoelde voorwaarden nog niet waren vervuld.

Daarvan uitgaande en in aanmerking genomen dat volgens de desbetreffende overeenkomsten de kopers reeds door de betaling van de door hen aan de Stichting [A] verschuldigde koopsom een bepaalde houtopstand "in eigendom" zouden hebben verkregen - welke houtopstand de Stichting [A] noch de Vereniging [A] noch "[A] Suriname" in eigendom toebehoorde - heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de Vereniging [A] en/of de Stichting [A] bij het sluiten van de overeenkomsten met de kopers in werkelijkheid niet bevoegd was/waren de in de bewezenverklaring bedoelde rechten namens [A] Suriname met het beoogde (goederenrechtelijke) rechtsgevolg over te dragen aan die kopers. De bewezenverklaring is derhalve op het hier aan de orde zijnde punt toereikend gemotiveerd.

6.4. Het middel faalt."

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

5.2. In de aanvrage wordt, kort samengevat, betoogd (i) dat de overdracht van het exploitatierecht inzake de economische eigendom een louter verbintenisrechtelijke overdracht betreft en dat eerst na exploitatie en na betaling van de retributies door of namens de concessiehouder aan de Surinaamse Staat, de juridische eigendomsoverdracht volgt, zodat, waar in de overeenkomsten tussen [A] en investeerders wordt gesproken over "eigendom", dit steeds ziet op de economische eigendom en voorts, dat [A] op grond van de overeenkomst met NV [C] bevoegd was om het exploitatierecht inzake de economische eigendom over te dragen, ongeacht de vervulling van de in die overeenkomst vermelde voorwaarden, genoemd in de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 7]. Daartoe wordt aangevoerd dat:

- de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 7] onjuist is;

- [C] N.V. steeds, althans jarenlang, op de hoogte was van de overdracht door [A] aan investeerders van het exploitatierecht inzake de economische eigendom en dit nimmer heeft afgekeurd.

Voorts wordt in de aanvrage, kort samengevat, betoogd (ii) dat de bedragen in het rapport van [betrokkene 1] niet valselijk zijn veranderd, maar gecorrigeerd om deze bedragen in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid, waaraan [betrokkene 1] zijn goedkeuring heeft gegeven, alsmede dat [betrokkene 1] in zijn tot het bewijs gebezigde verklaring onwaarheid heeft gesproken om de aandacht te verschuiven van hem naar [A].

5.3. Het eerste onderdeel van de aanvrage bevat in hoofdzaak een herhaling van ook ter terechtzitting in hoger beroep en in cassatie betrokken stellingen, welk verweer door het Hof is verworpen. Daaraan is in de aanvrage een aantal stukken ten grondslag gelegd, die voor een deel zijn gedateerd vóór en voor een deel ná de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Voorzover aan de aanvrage stukken ten grondslag zijn gelegd welke het Hof niet bekend zijn geweest, geldt - ook voorzover het betreft een bandopname van een gedeelte van een telefoongesprek tussen, naar is gesteld, [aanvrager] en

[betrokkene 7], welke opname voorts een hiaat vertoont - dat een en ander niet het ernstig vermoeden wekt, dat ware het Hof met die stukken bekend geweest, het de aanvrager van de ten laste van hem bewezenverklaarde feiten zou hebben vrijgesproken.

5.4. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de aanvrage stelt de Hoge Raad voorop dat de bewezenverklaarde valsheid daarin bestaat dat in een rapport of notitie van 9 januari 1998 van de hand van [betrokkene 1] door de betrokkenen eigenmachtig wijzigingen zijn aangebracht. De omstandigheid dat die wijzigingen - houdende de verhoging van de in dat rapport genoemde bedragen voor parket, onderscheidenlijk gezaagd hout - volgens de aanvrager en de in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 8] juist zouden zijn, doet daaraan niet af. Voorts levert hetgeen in de aanvrage wordt gesteld zelfs geen aanknopingspunt op dat, anders dan [betrokkene 1] in zijn tot het bewijs gebezigde verklaring heeft verklaard, die wijzigingen met zijn toestemming zouden zijn aangebracht. Hetgeen in de aanvrage in dit onderdeel wordt aangevoerd en de inhoud van de daarbij gevoegde stukken leveren daarom evenmin een ernstig vermoeden op als hiervoor onder 5.1 bedoeld.

6. Slotsom

De in de aanvrage aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen noch afzonderlijk, noch in samenhang beschouwd, een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrage is kennelijk ongegrond.

7. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 juni 2006.