Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY0107

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
02450/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY0107
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2003, 544. I.c. heeft de AG bij het hof ter terechtzitting aangegeven dat het OM niet tot een transactieaanbod is overgegaan i.v.m. recidive. Het hof heeft die beslissing van het OM – naar in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen – aangemerkt als een verzuim. Dit verzuim behoeft echter niet te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging. In hetgeen ook in HR NJ 2003, 544 is vooropgesteld wordt immers niet uitgesloten dat daarvan ook in andere gevallen dan het aldaar genoemde geval kan worden afgezien. In aanmerking genomen dat het hof verdachte een straf heeft opgelegd overeenkomstig het toepasselijke transactieaanbod, geeft zijn oordeel dat er i.c. geen grond is het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 74
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 478
NBSTRAF 2006/478
JOL 2006, 656
RvdW 2006, 1048

Uitspraak

31 oktober 2006

Strafkamer

nr. 02450/05

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 april 2005, nummer 20/004273-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2004 - de verdachte ter zake van "overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.8, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven" veroordeeld tot een geldboete van veertig euro, subsidiair één dag hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van het in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat de Officier van Justitie door de verdachte te vervolgen in strijd heeft gehandeld met de hier toepasselijke transactierichtlijn.

3.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat:

"hij op of omstreeks 12 juli 2003 in de gemeente Eindhoven op de weg die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, de Rechtstraat, alcoholhoudende drank heeft genuttigd en/of (een) aangebroken fles(sen), blikje(s) en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich heeft gehad."

3.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de Advocaat-Generaal aldaar de vordering als volgt toegelicht:

"Gelet op de recidive heeft het openbaar ministerie geen transactievoorstel gedaan maar 2 dagen hechtenis gevorderd. Ik hoor u zeggen dat er geen specifieke recidive is op het betreffende punt waarvoor verdachte hier terechtstaat."

3.3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard waar het openbaar ministerie aan verdachte geen transactievoorstel heeft gedaan.

Nu door het openbaar ministerie zonder nadere redengeving aan verdachte geen transactieaanbod is gedaan, is het hof, met de raadsman, van oordeel dat er sprake is van een onherstelbaar verzuim. Dit verzuim kan naar het oordeel van het hof voldoende worden gecompenseerd door aan verdachte een geldboete op te leggen die overeenkomt met het gebruikelijke transactieaanbod. Het beroep op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen."

3.3.3. De strafmotivering houdt onder meer in:

"Voorts is bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de omstandigheid dat zonder nadere redengeving aan verdachte door het openbaar ministerie geen transactievoorstel is gedaan. Dit verzuim wordt voldoende gecompenseerd doordat het hof aan verdachte een geldboete zal opleggen dat overeenkomt met het transactieaanbod."

3.4. In cassatie is onbestreden dat op het tenlastegelegde feit een transactierichtlijn van het openbaar ministerie van toepassing is - in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11 genoemd en voor zover van belang weergegeven - en dat de hoogte van het transactieaanbod voor dit feit € 40,- beloopt.

3.5. Vooropgesteld dient te worden dat een verzuim om in strijd met de geldende richtlijnen geen transactie aan te bieden maar te dagvaarden, niet in alle gevallen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging dient te leiden. Bijzondere omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat dit gevolg achterwege blijft. In dit verband verdient opmerking dat een schending van het belang van de verdachte om niet in strijd met een richtlijn te worden gedagvaard in voorkomende gevallen voldoende kan worden gecompenseerd doordat ter terechtzitting door het openbaar ministerie een straf wordt gevorderd die feitelijk in overeenstemming is met het transactieaanbod dat aan de verdachte overeenkomstig de richtlijn zou moeten zijn gedaan en de rechter bij zijn beslissing omtrent de strafoplegging ervan doet blijken vorenbedoeld verzuim in zijn beoordeling te hebben betrokken (vgl. HR 24 juni 2003, NJ 2003, 544, rov. 4.3).

3.6. In het onderhavige geval heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof ter terechtzitting aangegeven dat het Openbaar Ministerie niet tot een transactieaanbod is overgegaan in verband met recidive. Het Hof heeft die beslissing van het Openbaar Ministerie - naar in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen - aangemerkt als een verzuim. Dit verzuim behoeft echter niet te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. In hetgeen hiervoor onder 3.5 is vooropgesteld wordt immers niet uitgesloten dat daarvan ook in andere gevallen dan het aldaar genoemde geval kan worden afgezien.

In aanmerking genomen dat het Hof de verdachte een straf heeft opgelegd overeenkomstig het toepasselijke transactieaanbod, geeft zijn oordeel dat er in dit geval geen grond is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

3.7. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 31 oktober 2006.