Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9708

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
01-09-2006
Zaaknummer
R05/081HR (OK 119)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Enquêterecht. Geschil over de vraag naar de jegens een minderheidsaandeelhouder in acht te nemen zorgplicht, afwijzing van verzoek tot vaststelling van wanbeleid (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 24
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 476
RvdW 2006, 770
ARO 2006, 160 met annotatie van Redactie
JRV 2006, 751
JWB 2006/262
JOR 2006/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 september 2006

Eerste Kamer

Nr. R05/081HR (OK 119)

JMH/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

de vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen SIRVANA CORPORATION N.V.,

gevestigd te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERZOEKSTER tot cassatie, voorwaardelijk

incidenteel verweerster,

advocaten: mrs. R.S. Meijer en F.E. Vermeulen,

t e g e n

N.V. EMBA,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk

incidenteel verzoekster,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Sirvana - heeft op 11 oktober 2004 in een procedure tegen verweerster in cassatie - verder te noemen: EMBA - een verzoekschrift ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam en - zakelijk weergegeven - verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1) op grond van het verslag van het onderzoek en op grond van hetgeen overigens in de onderhavige procedure is gesteld en gebleken ten aanzien van het beleid en de gang van zaken van EMBA en de met haar verbonden ondernemingen over de boekjaren 1997 en volgende vast te stellen dat sprake is van wanbeleid;

2) bij wijze van voorzieningen op de voet van de artikelen 2:355 en 2:356 BW;

a) het besluit tot toevoeging aan de algemene reserves van de winst over het boekjaar 2001 ten bedrage van € 5.915.000,--, zoals genomen in de algemene vergadering van aandeelhouders van EMBA op 18 juni 2002, te vernietigen;

b) te bepalen dat artikel 23 lid 3 van de statuten van EMBA vooralsnog voor de periode tot 1 september 2006 komt te luiden als volgt:

"3. Allereerst wordt vijftig procent (50%) van de uit de vastgestelde jaarrekening blijkende uitkeerbare winst uitgekeerd aan de aandeelhouders, naar evenredigheid van het nominale bedrag van de door ieder van hen gehouden aandelen, zulks behoudens andersluidend besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders - voor welk besluit een meerderheid vereist is van drievierde (3/4) van het aantal uitgebrachte stemmen. Het resterende gedeelte van de uit de vastgestelde jaarrekening blijkende uitkeerbare winst staat ter vrije beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders."

c) te bepalen dat aan artikel 23 lid 6 van de statuten van EMBA de navolgende zinsnede wordt toegevoegd:

"... voor welk besluit aan meerderheid vereist is van drievierde (3/4) van het aantal uitgebrachte stemmen."

3) op grond van artikel 2:357 lid 2 BW te bevelen dat door de bevoegde organen van EMBA een nieuw besluit wordt genomen omtrent de winstbestemming met betrekking tot de uitkeerbare winst die blijkt uit de jaarrekening van EMBA over 2002, zodanig dat de uitkeerbare winst over het boekjaar 2001 ten bedrage van € 5.915.000,-- in zijn geheel wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders, althans een zodanig gedeelte daarvan als door de ondernemimgskamer in goede justitie zal worden bepaald;

4) EMBA te veroordelen in de kosten van het geding.

EMBA heeft het verzoek tot het vaststellen van wanbeleid en tot het treffen van voorzieningen bestreden en verzocht Sirvana daarin niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat verzoek af te wijzen met veroordeling van Sirvana in de kosten van het geding.

De ondernemingskamer heeft bij beschikking van 15 maart 2005 het verzoek van Sirvana afgewezen en haar uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding veroordeeld.

De beschikking van de ondernemingskamer is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de ondernemingskamer heeft Sirvana beroep in cassatie ingesteld. EMBA heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het principaal cassatieverzoek.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep niet aan de orde.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Sirvana in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Emba begroot op € 336,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 september 2006.