Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
03377/05 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2006

Strafkamer

nr. 03377/05 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 7 februari 2005, nummer 15/601789-04, ingediend door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Zwolle, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef, onder a van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 650,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, alsmede tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, en ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening en de aanvulling daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv, slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. Aan de aanvrage ligt ten grondslag dat sprake is van een persoonsverwisseling. Ter ondersteuning van die stelling wordt aangevoerd dat de bestuurder van het motorrijtuig, die de naam van de aanvrager heeft opgegeven:

a) gevraagd heeft naar een tolk Russisch, terwijl de aanvrager - zijnde Georgisch - naar een tolk Georgisch zou hebben gevraagd aangezien Georgisch zijn eerste taal is;

b) tegenover de politie heeft verklaard dat hij een Georgisch rijbewijs heeft, terwijl de aanvrager over een dergelijk rijbewijs niet beschikt;

c) na zijn aanhouding waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van de door de aanvrager enkele weken voorafgaand aan de feiten bij de politie als vermist opgegeven identiteitskaart; en

d) een handtekening heeft geplaatst onder het proces-verbaal van zijn verhoor die niet lijkt op die van de aanvrager.

3.3. De hiervoor onder a, b en c vermelde omstandigheden geven geen steun aan de stelling dat in de zaak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling, in aanmerking genomen dat:

(i) de stukken van het geding, waaronder de stukken met betrekking tot de strafzaak die hebben geleid tot het vonnis waarvan thans herziening wordt gevraagd, weliswaar inhouden dat het verhoor heeft plaatsgevonden met behulp van een gerechtstolk Russisch, maar daaruit niet kan volgen dat door de aangehouden bestuurder zelf om een tolk Russisch is verzocht, terwijl voorts de aanvrager niet heeft bestreden de Russische taal te verstaan;

(ii) vorenbedoelde stukken niet inhouden dat de aangehouden bestuurder een Georgisch rijbewijs heeft getoond;

(iii) vorenbedoelde stukken evenmin inhouden dat meergenoemde bestuurder na de aanhouding enige identiteitskaart heeft getoond.

3.4. Ook de hiervoor sub 3.2 onder d genoemde omstandigheid levert geen grond voor herziening op. De handtekening van de aanvrager is gesteld op de akte waarbij de dagvaarding aan hem in persoon is uitgereikt. De Politierechter was dus bekend met die handtekening en met de mogelijke verschillen tussen die handtekening en die welke door de verdachte is gesteld onder zijn aan de politie afgelegde verklaring. Overigens kan, anders dan in de aanvrage wordt gesteld, niet worden gezegd dat die handtekeningen "geheel niet" overeenkomen. Dat geldt ook ten aanzien van de handtekening van de aanvrager die als bijlage 6 bij de aanvrage is gevoegd.

3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 13 juni 2006.

Mr. Corstens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.