Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9405

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
02618/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9405
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijs medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof heeft niet geoordeeld dat louter sprake is geweest van passieve aanwezigheid van verdachte bij de vrijheidsberoving maar tot uitdrukking gebracht dat verdachte door zijn gedragingen eraan heeft bijgedragen dat zijn mededader de bewezenverklaarde handelingen kon verrichten en dat het slachtoffer niet vrij was te gaan en te staan waar hij wilde. Dat oordeel is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. Gelet daarop geeft ‘s hofs oordeel dat tussen verdachte en zijn mededader van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking sprake was dat zij de vrijheidsberoving en het voortduren daarvan tezamen en in vereniging hebben gepleegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 554
RvdW 2006, 918
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 september 2006

Strafkamer

nr. 02618/05

EC/MR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 januari 2005, nummer 20/002114-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen - behalve ten aanzien van de bewijsvoering, de bijzondere overweging omtrent het bewijs ten aanzien van feit 2 en de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 januari 2004, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van 2. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot 237 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft medegepleegd.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 12 september 2003 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met die ander voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en wederrechtelijk

- nadat er een (heftige) woordenwisseling had plaatsgevonden, vast te pakken en vervolgens [slachtoffer] mee te trekken, althans mee te voeren naar een auto en [slachtoffer] te sommeren op de achterbank van de auto plaats te nemen en vervolgens weg te rijden met die auto en

- vervolgens van uit die auto naar een of meer omstanders te roepen "wie de politie belt die is dood" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- vervolgens met [slachtoffer] verder te rijden en op een andere locatie (Maaspoorthal) te stoppen en [slachtoffer] te sommeren uit te stappen en - vervolgens [slachtoffer] vast te pakken en hem toe te voegen "Ik steek je in je flikker als je niet in de kofferbak van de auto stapt" en "instappen, instappen" in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking en [slachtoffer] een schroevendraaier te tonen en hem vervolgens onder die bedreiging te dwingen in de kofferbak van een auto te stappen en vervolgens die kofferbak te sluiten."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik ken [betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1]). Op 12 september 2003 kwam ik [betrokkene 1] tegen. Hij was met zijn auto en ik ben bij hem ingestapt. We reden zomaar wat rond. We hadden niets te doen en zouden naar de friettent gaan. In de auto vertelde [betrokkene 1] mij dat hij een keer was verraden. We kwamen uiteindelijk uit bij cafetaria "De Maaspoort" te 's-Hertogenbosch. Daar stond [slachtoffer]. In de portiek kreeg [betrokkene 1] een woordenwisseling met [slachtoffer]. Ze hadden het steeds over verraad. Er begon toen iets te schemeren en ik had wel door dat [slachtoffer] degene was die [betrokkene 1] had verraden en daarvoor door [betrokkene 1] ter verantwoording werd geroepen. Ik zag dat [betrokkene 1] [slachtoffer] bij zijn arm vastpakte en vasthield en met hem naar de auto liep. Door de wijze waarop zij naar de auto liepen begreep ik wel dat het geen normale zaak was en dat [slachtoffer] liever niet was ingestapt. Ik liep met hen mee naar de auto. Ik zag dat [slachtoffer] achter in de auto stapte. [Betrokkene 1] is op de bestuurdersplaats gaan zitten. Ik ben er naast gaan zitten. Het was een tweedeurs auto.

Toen we met de auto langs het cafetaria reden heeft [betrokkene 1] het raam opengedraaid en het groepje mensen dat bij de friettent stond bedreigd. Ik weet niet meer wat hij precies zei maar het was zoiets als: "wie de politie belt is dood". Ik begreep wel dat hij dit deed omdat hij iets had met [slachtoffer]. Ik zag geen aanleiding om uit de auto te stappen. We zijn naar de Maaspoorthal in 's-Hertogenbosch gereden. [Betrokkene 1] is met [slachtoffer] uit de auto gestapt. Er was een woordenwisseling tussen hen. [Betrokkene 1] heeft [slachtoffer] in de kofferbak van de auto gestopt. Ik zag dat [betrokkene 1] met een schroevendraaier in zijn hand stond."

b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 12 september 2003 stond ik bij cafetaria "De Maaspoort" (Het hof leest: te 's-Hertogenbosch) toen [betrokkene 1] mij een portiek introk. [Betrokkene 1] was tot alles in staat. Vervolgens ben ik door [betrokkene 1] naar de auto gesleurd. [Betrokkene 1] had mij vast. Ik moest plaatsnemen op de achterbank en we zijn weggereden. Toen we met de auto langs de cafetaria reden heeft [betrokkene 1] het raam opengedraaid en naar de groep geroepen: "Als iemand de politie belt dan gaat die eraan", of zoiets. We zijn naar de Maaspoorthal (het hof leest: te 's-Hertogenbosch) gereden en daar moest ik de kofferbak in van [betrokkene 1]. Toen was [verdachte] ook uitgestapt. [Betrokkene 1] zei tegen mij: "instappen, instappen". Ik ging in de kofferbak liggen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"(...) [Betrokkene 1] had een schroevendraaier bij zich. [Betrokkene 1] dreigde mij te steken met de schroevendraaier. Hij zei: "Ik steek je in je flikker als je niet in de kofferbak stapt". Ik ben hierop onder dwang en tegen mijn wil in de kofferbak gestapt.(...)."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"We waren bij de Maaspoort (het hof leest: Maaspoorthal te 's-Hertogenbosch). Ik hoorde dat de kofferbak van de auto open ging. Ook hoorde ik dat de kofferbak weer dicht ging."

e. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Op 12 september 2003 stond ik voor cafetaria "De Maaspoort" met een groepje mensen. Daar waren onder andere [betrokkene 3] (het hof leest: [betrokkene 3]) en [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) bij. Op een gegeven moment waren [betrokkene 1] (het hof leest: [betrokkene 1], hierna te noemen: [betrokkene 1]) en [verdachte](hof leest: [verdachte], hierna te noemen [verdachte]) er bij. Ik hoorde bekvechten vanuit de portiek naast het cafetaria. Ik ben toen naar de portiek gelopen. In de portiek zag ik [betrokkene 1] en [slachtoffer] staan. [Betrokkene 1] en [slachtoffer] hielden elkaar vast. [Betrokkene 1] was boos en [slachtoffer] was opeens heel bang. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen : "Niet doen, niet doen". Ik vond het niet normaal wat er in de portiek gebeurde. Ik was ervan geschrokken. [Verdachte] stond erbij. Op een gegeven moment kwamen [betrokkene 1], [slachtoffer] en [verdachte] uit de portiek gelopen voor ons groepje langs. [Slachtoffer] ging niet vrijwillig mee. Ze gingen met z'n drieën weg. Daarna kwam een auto langsrijden en daarin zaten [betrokkene 1], [verdachte] en [slachtoffer]. [Slachtoffer] zat op de achterbank en ik dacht dat [betrokkene 1] achter het stuur zat en [verdachte] voorin naast [betrokkene 1]. Toen de auto langs ons reed riep [betrokkene 1] vanuit de auto iets naar ons groepje. Hij riep toen: "Wie de politie belt, die is dood"."

f. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik stond op vrijdag 12 september 2003 voor cafetaria "De Maaspoort". Ik stond daar in een groepje met andere mensen. Onder andere was daarbij [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]). Op een gegeven moment kwamen [betrokkene 1] (het hof leest: [betrokkene 1], hierna te noemen [betrokkene 1]) en [verdachte] (hierna te noemen [verdachte]) aanlopen. [Betrokkene 1] begon tegen [slachtoffer] te schreeuwen, pakte [slachtoffer] aan zijn arm vast en sleurde hem mee om de hoek in een soort portiek. Ik hoorde [betrokkene 1] en [slachtoffer] vanuit de portiek tegen elkaar schreeuwen. [Slachtoffer] klonk angstig. Ik bedoel dat zijn stem angstig klonk en [betrokkene 1] klonk kwaad. Het was niet in de haak wat er daar in de portiek gebeurde. Na ongeveer anderhalve minuut zag ik dat [betrokkene 1] en [slachtoffer] uit de portiek kwamen. [Betrokkene 1] had [slachtoffer] bij zijn bovenarm vast en sleurde [slachtoffer] mee richting parkeerplaats naar een auto. [Verdachte] liep met ze mee. Ik weet dat ze alledrie de auto ingegaan zijn want ik zag de auto nog voorbij komen rijden."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Op vrijdagavond 12 september 2003 omstreeks 24.00 uur, zat ik in mijn woning welke is gelegen nabij de friettent aan de Maaspoort te 's-Hertogenbosch. Ik hoorde op genoemd tijdstip hard schreeuwen op straat. Ik hoorde dat dit geschreeuw afkomstig was uit de portiek naast genoemde friettent. Toen ik vervolgens vanuit mijn woning naar beneden keek zag ik een groep personen voor de genoemde portiek staan (...).

Een paar minuten later hoorde en zag ik een personenauto met grote snelheid van de parkeerplaats de Maaspoortweg oprijden in de richting van de rotonde. Ik zag vervolgens dat deze personenauto, nog steeds met grote snelheid, via deze rotonde weer de Maaspoortweg opreed in de richting van genoemde friettent. Ik zag dat de auto ter hoogte van de friettent vervolgens hard remde en ik zag dat de bestuurder zijn portierraam opende."

3.4. Daarnaast heeft het Hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij voorafgaande aan de ontmoeting met [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]), met [betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1]) in diens auto had gesproken over het feit dat deze was verraden, maar dat hij op dat moment nog niet wist door wie. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij uit de woordenwisseling tussen [slachtoffer] en [betrokkene 1] in de portiek, wel begreep dat [slachtoffer] degene was die [betrokkene 1] had verraden en dat deze daarvoor nu door [betrokkene 1] ter verantwoording werd geroepen. Tevens heeft hij verklaard dat hij zag dat [betrokkene 1] [slachtoffer] vastpakte en met hem naar de auto liep en dat hij uit de wijze waarop dit gebeurde wel begreep dat [slachtoffer] niet vrijwillig meeging. Verdachte is vervolgens met hen meegelopen naar de auto en heeft -terwijl hij blijkens zijn verklaring in hoger beroep besefte dat dit "geen normale zaak" was-, aldus handelend samen met [betrokkene 1] een getalsmatig overwicht gevormd ten opzichte van [slachtoffer]. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij [betrokkene 1] tegen omstanders heeft horen roepen "wie de politie belt die is dood". Voorts is verdachte -nadat [slachtoffer] van [betrokkene 1] moest plaatsnemen op de achterbank achter de bestuurdersstoel- op de bijrijderplaats gaan zitten zodat, gezien het feit dat het een tweedeurs auto betrof, feitelijk werd belemmerd dat [slachtoffer] kon uitstappen.

Daarmee heeft verdachte er aan bijgedragen dat [betrokkene 1] vervolgens de in de bewezenverklaring vermelde handelingen kon verrichten en dat [slachtoffer] niet vrij was te gaan en staan waar hij wilde.

Aldus was er sprake van de voor medeplegen vereiste bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering."

3.5. In het middel wordt in het voetspoor van een in hoger beroep gevoerd verweer de stelling betrokken dat louter sprake is geweest van passieve aanwezigheid van de verdachte bij de vrijheidsberoving. Het Hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging evenwel anders geoordeeld en tot uitdrukking gebracht dat de verdachte door zijn gedragingen eraan heeft bijgedragen dat zijn mededader de bewezenverklaarde handelingen kon verrichten en dat het slachtoffer niet vrij was te gaan en te staan waar hij wilde. Dat oordeel is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegijpelijk. Gelet daarop geeft het oordeel van het Hof dat tussen de verdachte en zijn mededader van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking sprake was dat zij de vrijheidsberoving en het voortduren daarvan tezamen en in vereniging hebben gepleegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

3.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 september 2006.