Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9400

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
C05/035HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een directeur/aandeelhouder in een vennootschap en diens schoondochter over de terugbetaling van een geldbedrag dat haar overleden echtgenoot zijn vader had geleend (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 452
RvdW 2006, 741
JWB 2006/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/035HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: eerst mr. F. Damsteegt,

thans mr. J.B.M.M. Wuisman,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 14 juli 2000 eiser tot cassatie en Staal Straal bedrijf Nederland B.V., gevestigd te Asten - verder afzonderlijk te noemen: [eiser] en SBN - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[eiser] te veroordelen om ter zake van een lening aan [verweerster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen als hoofdsom een bedrag van ƒ 91.000,-- en het bedrag van ƒ 7.208,63, inclusief de voor haar niet verrekenbare BTW inzake de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom, ƒ 91.000,--, vanaf 10 juli 2000, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening, onder veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding;

SBN te veroordelen om ter zake van een lening aan [verweerster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen als hoofdsom een bedrag van ƒ 18.000,-- en het bedrag van ƒ 2.379,38 inclusief de voor haar niet verrekenbare BTW inzake de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom, ƒ 18.000,--, vanaf 10 juli 2000, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening, onder veroordeling van SBN in de kosten van het geding.

[Eiser] en SBN hebben de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 februari 2001 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 15 juni 2001 [verweerster] en SBN tot bewijslevering toegelaten.

Na op 9 oktober 2001 gehouden getuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 24 juli 2002:

[eiser] veroordeeld om tegen kwijting aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 41.293,98, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 juli 2000 tot aan de dag van de voldoening;

SBN veroordeeld om tegen kwijting aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 3.176,46, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2001 tot aan de dag van de voldoening;

SBN veroordeeld om tegen kwijting aan [verweerster] te betalen de wettelijke rente over de totale vordering van € 8.168,04 (ƒ 18.000,--) vanaf 10 juli 2000 tot 1 mei 2001;

[Eiser] en SBN veroordeeld in de beslagkosten tot op heden begroot op € 705,52;

[Eiser] en SBN veroordeeld in de proceskosten;

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard,

en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van 2 februari 2001, 15 juni 2001 en 24 juli 2002 hebben [eiser] en SBN hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 8 juli 2003 heeft het hof verstaan dat het geding voor zover het betreft het door SBN ingestelde hoger beroep in verband met haar faillissement is geschorst, en [eiser] en [verweerster] tot tegenbewijs respectievelijk bewijslevering toegelaten.

Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij eindarrest van 9 november 2004:

verstaan dat het geding voor zover het het door SBN ingestelde beroep betreft, nog steeds is geschorst;

[eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de tussenvonnissen van 2 februari 2001 en 15 juni 2001 verklaard;

het eindvonnis van de rechtbank van 24 juli 2002, voor zover daarbij aan hoofdsom een bedrag van €41.293,98 werd toegewezen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld om aan [verweerster] te voldoen een bedrag van € 36.302,42;

dit eindvonnis voor het overige bekrachtigd en

[Eiser] veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

De arresten van het hof van 8 juli 2003 en 9 november 2004 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide laatstgenoemde arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 20 april 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.