Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9395

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
C05/129HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid. Geschil tussen een advocaat en zijn voormalige cliënten over diens aansprakelijkheid voor hun schade als gevolg van het door hem niet tijdig ingesteld hoger beroep tegen een vonnis waarbij zij tot schadevergoeding aan een derde waren veroordeeld (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 436
RvdW 2006, 683
JWB 2006/232
JA 2006/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/129HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 11 april 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 66.262,15, vermeerderd met de wettelijke rente over € 63.262,15 vanaf 3 juni 1997 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 december 2002 [verweerder] bewijs opgedragen.

Na op 19 maart 2003 en 11 juni 2003 gehouden getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 1 oktober 2003 aan [eiser] c.s. hun vorderingen ontzegd en hen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure veroordeeld.

Tegen het eindvonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 18 januari 2005 heeft het hof in het principaal appel het eindvonnis van de rechtbank te Arnhem bekrachtigd en [eiser] c.s. tezamen in de kosten van het principaal appel veroordeeld. In het voorwaardelijk incidenteel appel heeft het hof verstaan dat dit geen behandeling behoeft.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 juni 2006.