Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
01-09-2006
Zaaknummer
C05/136HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Geschil tussen schoonmaakster en werkgever over de rechtsgeldigheid van ontslag op staande voet wegens ongeoorloofd gedrag, bestaande in bedreiging van medewerker(s) van een klant; slechts gedeeltelijke vaststelling door (appel)rechter van feitencomplex dat als dringende onverwijld medegedeelde reden voor ontslag ten grondslag was gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/228 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
JOL 2006, 483
RvdW 2006, 777
JAR 2006, 228
JWB 2006/259

Uitspraak

1 september 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/136HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt

t e g e n

BUWA SCHOONMAAKDIENSTEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 24 november 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: Buwa - gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. aan [eiseres] tegen kwijting te betalen:

1. het achterstallige loon c.a. vanaf 15 juli 1999, althans een door de kantonrechter te bepalen dag, tot aan de dag waarop vonnis zal worden gewezen, onder vaststelling van dit achterstallig loon c.a. op:

a. ƒ 1.809,78 bruto per maand;

b. vakantietoeslag ad 8%;

c. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder a en b genoemde loon en vakantietoeslag;

d. de wettelijke rente over de posten a t/m c vanaf 15 juli 1999 tot aan de dag van voldoening;

II. Buwa te veroordelen [eiseres] binnen twee dagen na betekening van het vonnis toe te laten tot de door haar bij Buwa verrichte werkzaamheden, zulks op straffe van verval van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag voor iedere dag dat Buwa te dien aanzien in gebreke zal blijven;

een en ander met veroordeling van Buwa in de kosten van het geding.

Buwa heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 25 januari 2000 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 11 juli 2000 Buwa tot bewijslevering toegelaten.

De kantonrechter heeft na enquête bij eindvonnis van 22 januari 2002 de loonvordering toegewezen over de periode van 15 juli 1999 tot 1 december 2000, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8%, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, Buwa veroordeeld in de proceskosten, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen het eindvonnis van de kantonrechter heeft Buwa hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te

's-Gravenhage.

Het hof heeft bij tussenarrest van 6 februari 2004 Buwa tot bewijslevering toegelaten.

Bij arrest van 21 januari 2005 heeft het hof het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiseres] afgewezen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen Buwa is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De Advocaat-Generaal L. Timmerman heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] is op 2 januari 1991 bij Buwa in dienst getreden als schoonmaakster. Haar salaris bedroeg in de maanden mei, juni en juli 1999 ƒ 1.809,78 bruto per vier weken.

(ii) Per brief van 12 juli 1999 heeft Buwa [eiseres] gewaarschuwd omdat zij de opdracht haar werkzaamheden op een andere verdieping in hetzelfde gebouw, waar zij voorheen schoonmaakwerkzaamheden verrichtte, niet wilde uitvoeren. De aanleiding voor deze opdracht was een klacht van een werkneemster van één van de opdrachtgeefsters van Buwa, [betrokkene 1] van Ashland Services B.V., over het gedrag van [eiseres].

(iii) Bij brief van 13 juli 1999 bevestigde Buwa aan [eiseres] dat haar op 12 juli 1999 - mondeling - is meegedeeld dat zij tot 15 juli 1999 is geschorst zonder behoud van loon.

(iv) Op 14 juli 1999 heeft Buwa schriftelijk aan [eiseres] meegedeeld dat zij haar met onmiddellijke ingang ontsloeg wegens ongeoorloofd gedrag. Dit is in die brief als volgt toegelicht:

"Op maandag 12 juli heeft u onder getuige van uw object-leidster, [betrokkene 2] en uw rayonleider, [betrokkene 3], bedreigingen geuit richting een medewerker van onze opdrachtgever.

Vervolgens heeft u op dinsdag 13 juli 1999 uw rayonleider, [betrokkene 3], alsmede uw rayonleidster, [betrokkene 4], telefonisch bedreigt.

U begrijpt dat wij dit gedrag absoluut niet kunnen tolereren en derhalve krijgt u van ons ontslag op staande voet".

3.2 [Eiseres] heeft de nietigheid van het gegeven ontslag ingeroepen en heeft gevorderd, kort gezegd, loondoorbetaling. De arbeidsovereenkomst is inmiddels per 1 december 2000 voorwaardelijk ontbonden.

De kantonrechter heeft Buwa toegelaten tot bewijslevering van de bedreigingen van [betrokkene 1] op 12 juli 1999 en van de telefonische bedreiging van de twee medewerkers van Buwa op 13 juli 1999, de twee feiten die Buwa als reden voor het ontslag op staande voet aan [eiseres] heeft meegedeeld.

De kantonrechter heeft bij eindvonnis Buwa in dit bewijs niet geslaagd geacht en Buwa veroordeeld tot doorbetaling van loon tot datum ontbinding, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

3.3.1 Het hof heeft Buwa toegelaten tot het bewijs dat [eiseres] [betrokkene 1] op 12 juli 1999 heeft bedreigd, door het horen van [betrokkene 1]. Het heeft Buwa in zijn eindarrest geslaagd geacht in dit bewijs. Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat de grieven, die zich keren tegen het bewijsoordeel van de kantonrechter met betrekking tot de bedreiging op 13 juli 1999 van twee medewerkers van Buwa, falen. Het heeft ten slotte het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

3.3.2 Het hof heeft geoordeeld dat de bedreiging op 12 juli 1999, bezien in het licht van de omstandigheden: een conflict van [eiseres] met een medewerkster van een klant van Buwa in verband waarmee [eiseres] voor drie dagen was geschorst, welke bedreiging is gedaan in die periode van schorsing, op zichzelf reeds een dringende reden is, die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de gevolgen van het ontslag voor [eiseres], voor zover daarvan ten processe is gebleken, maken dat, aldus het hof, niet anders (rov. 10). Het hof heeft geconcludeerd dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [eiseres] zullen alsnog worden afgewezen (rov. 13).

3.4 Bij de behandeling van het na te melden middel zij vooropgesteld dat, indien van een door de werkgever als "dringende reden" voor het ontslag aan de werknemer medegedeeld feitencomplex, na betwisting door de werknemer, slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, het ontslag niettemin zal kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld meegedeelde reden, indien (a) het vorenbedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd wel kan gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, (b) de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen, indien hij - anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende - daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en (c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest.

3.5 Het middel, gericht tegen rov. 10 en 13, klaagt dat het hof de hiervoor in 3.4 gememoreerde regel heeft miskend door wél gemotiveerd te toetsen aan de hiervoor in 3.4 onder (a) weergegeven eis, maar - ten onrechte - niet (ook) aan de eisen onder (b) en (c).

3.6 Het middel treft doel. Het hof heeft de bedreiging van [betrokkene 1] bewezen geacht doch niet de bedreiging van de twee medewerkers van Buwa. Derhalve is slechts een gedeelte van het feitencomplex, dat door Buwa als dringende reden voor het ontslag op staande voet aan [eiseres] was meegedeeld, in rechte komen vast te staan. Uit hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen volgt dat het ontslag slechts dan als rechtsgeldig is aan te merken, indien is voldaan aan de drie aldaar vermelde voorwaarden. Door zich te beperken tot de toets of de wel vaststaande feiten op zichzelf beschouwd kunnen gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet en vervolgens de eis van [eiseres] af te wijzen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk was de rechtsgeldigheid van het onderhavige ontslag mede te toetsen aan de hiervoor in 3.4 onder (b) en (c) genoemde voorwaarden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 januari 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Buwa in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 3.057,78 in totaal, waarvan € 2.912,28 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 145,50 aan [eiseres].

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 september 2006.