Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX9178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
01564/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX9178
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Minerva-zaak. 1. Schuld ex art. 308 Sr. 2. Spelexceptie. 3. Pleitnota geen wettig bewijsmiddel. Ad 1. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijk letsel - i.c. het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen - uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ’s Hofs oordeel omtrent de bewezenverklaarde schuld is in de kern op het volgende gebaseerd: a. verdachte heeft in een relatief kleine ruimte met zo’n 30 personen, van wie velen alcoholhoudende drank hadden genuttigd, met een zeer grote en zware tafel tegen deuren geramd teneinde die te openen; b. verdachte vervulde een voortrekkersrol in het gebeuren, dat al was voorafgegaan door het niet ongevaarlijk via een trap naar beneden brengen van deze tafel; c. verdachte was op de hoogte van het evident gevaarzettende karakter van dit handelen; d. verdachte had, gelet op het gevaarzettend gedrag, bedacht kunnen en moeten zijn op onvoorspelbaar gedrag van het slachtoffer, dat als bestuurslid geacht werd het naar buiten brengen van de tafel te verhinderen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het bestanddeel schuld en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de HR in aanmerking genomen dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat ook als het toebrengen van het letsel aan het slachtoffer voor de verdachte niet (meer) vermijdbaar zou zijn geweest a.g.v. de gedragingen van slachtoffer en medeverdachten, deze omstandigheid mede door de verdachte en zijn medeverdachten in het leven is geroepen. Ad 2. Vooropgesteld moet worden dat indien de letsel veroorzakende gedragingen zijn begaan in een min of meer reguliere sport- of spelsituatie, van schuld a.b.i. art. 308 Sr in de regel minder snel sprake zal zijn, dan indien diezelfde gedragingen buiten zo’n situatie zijn begaan. Het hof heeft geoordeeld dat i.c. geen sprake was van een dergelijke spelsituatie die aan een bewezenverklaring van schuld in de weg zou staan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat uit de bewijsmotivering volgt dat weliswaar sprake was van zeer gevaarzettend handelen, maar niet van een door duidelijke spelregels afgebakend spel. 3. Verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet ex art. 279.1 Sv, als zodanig optreedt, kunnen niet als wettige bewijsmiddelen gelden (HR NJ 1981, 13 en HR NJ 2002, 340). Daarmee valt niet te verenigen dat een door de raadsman overgelegde pleitnota wel als zodanig zou kunnen gelden. Een dergelijke pleitnota kan dus niet worden aangemerkt als een wettig bewijsmiddel, meer i.h.b. niet als een ander geschrift a.b.i. art. 344.1.5° Sv. Dat geldt ook t.a.v. een pleitnota van een raadsman van een medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 660
NJ 2007, 79
RvdW 2006, 1045

Uitspraak

31 oktober 2006

Strafkamer

nr. 01564/05

PB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 oktober 2004, nummer 22/003868-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 31 maart 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van nog meer subsidiair "medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. D.V.A. Brouwer en mr. C.N. Noorduyn, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het bestanddeel schuld, dan wel de bewezenverklaring van dit bestanddeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 13 april 2001 tot en met 14 april 2001 te Leiden tezamen en in vereniging met anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig een tafel (van ongeveer 5 meter lang en ongeveer 1,50 meter breed en een gewicht van ongeveer 1000 kilogram) als stormram heeft gebruik door deze tafel met kracht tegen een deur te beuken, zulks terwijl een persoon, genaamd [het slachtoffer], zich tussen die tafel en die deur bevond, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten polsbreuken heeft bekomen."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [het slachtoffer]:

"Ik doe aangifte van zware mishandeling. Het lichamelijk letsel bestaat uit: een gebroken rechterpols en mijn linkerpols heeft meerdere breuken. Op 13 april 2001 pakten Walloniërs (reünisten en huidige bewoners van studentenhuis "Het Wallon" van de sociëteit Minerva) de leestafel. De leestafel is ongeveer 5 meter lang en 1.70 meter breed en weegt ongeveer 1000 kilogram. Ik zag dat de Walloniërs de tafel naar buiten wilden dragen. De Walloniërs wilden de tafel als stormram gebruiken en zo de leestafel door de lustrumdeuren naar buiten duwen. Ik vond dit vreemd daar de deuren kennelijk een nooduitgang zijn en middels het inslaan van een glaasje geopend kunnen worden. Naast de lustrumdeuren is rechts een vitrinekast, daar stond ik voor. De leestafel ging dus naast mijn lichaam. Ik vond dat zeer gevaarlijk. Op deze manier kon ik namelijk de tafel tegen de zijkant van mijn lichaam krijgen, daar ik geen kant op kon. Ik probeerde mij in veiligheid te brengen. Ik kon niet anders dan aan de zijde van de lustrumdeuren voor de tafel langs lopen. Ik zag dat de Walloniërs ineens met de leestafel richting lustrumdeuren gingen. De Walloniërs moeten mij gezien hebben. Ik zag dat de tafel op mij afkwam. Ik wilde mijn lichaam beschermen. Ik strekte daarom mijn armen en pakte de tafel. Door de enorme kracht die de Walloniërs middels het beuken veroorzaakten, braken mijn beide polsen."

b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te 's-Gravenhage, voor zover inhoudende als verklaring van [het slachtoffer]:

"De Walloniërs hebben toen ze bij de deur kwamen eerst één keer met de tafel tegen de deur gebeukt. Na de eerste of de tweede keer - welke weet ik niet meer precies - dat de deur geraakt was ben ik op het moment dat de tafel weer naar achteren werd gebracht voor de tafel langs gegaan. Ik was namelijk bang om geraakt te worden. Achter mij stonden namelijk mensen. Ik kon niet weg. Ik heb in een split second gehandeld.

Ik heb blijvend letsel overgehouden aan mijn linkerpols."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Tussen 23.30 uur op 13 april 2001 en 00.30 uur op 14 april 2001 was ik te Leiden op sociëteit Minerva. Het was die avond erg rustig in de sociëteit. De reden dat het rustig was kan goede vrijdag geweest zijn, maar ook het feit dat er die avond Wallon-uitdrinken plaatsvond. Ik zag dat de groep Walloniërs met de tafel in een ruk doorliep naar de lustrumdeuren. Ik schat dat er twee keer met de tafel was gebonkt. Ik zag dat de tafel als stormram gebruikt werd. Bij de derde keer zag ik dat [het slachtoffer] tussen de lustrumdeuren en de tafel stond. Ik zag vervolgens dat [het slachtoffer] door de tafel werd geramd. Toen ik zag dat hij werd geraakt, hoorde ik hem meteen heel hard schreeuwen. Ik zag dat hij ontzettend veel pijn had. Ik zag dat hij een verbeten gezicht had en mede dat hij ontzettend hard had geschreeuwd. Tevens zag ik dat zijn linkerpols gebroken was, deze hing namelijk haaks op de rest van zijn arm. Ik kan met zekerheid zeggen dat [verdachte] aan de tafel heeft staan duwen op het moment dat [het slachtoffer] geraakt is. Het waren ongeveer dertig personen in het totaal die aan de tafel stonden."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Op 13 april 2001 was ik te Leiden bij een zogenaamd "uitdrinken" van het Wallon. Ik zag dat de groep Walloniërs de leestafel in de richting van de lustrumdeuren schoof. De leestafel schat ik ongeveer 1,50 met tot 2 meter breed en 7 meter tot 8 meter lang. De tafel weegt ongeveer 500 kilogram. Ik zag dat de tafel met kracht tegen de lustrumdeuren beukte. Op het moment dat de tafel tegen de deuren werd geramd, hoorde ik iemand gillen. Dat was echt hard en ging door merg en been. Ik kon hieruit opmaken dat iemand ontzettend veel pijn moest hebben.

Ik hoorde dat [het slachtoffer] bleef gillen van de pijn. Ik zag dat hij met zijn rechterarm zijn linkerpols vasthield. Ik hoorde van [betrokkene 5] dat deze zei dat het er niet goed uitzag. Ik zag dat de linkerpols van [het slachtoffer] er lelijk uitzag. Ik zag dat de botten alle kanten uitstaken.

Vooral [medeverdachte 1] en [verdachte] namen het voortouw en zweepte de rest van de groep op bij het hele gebeuren. Ik weet zeker dat [medeverdachte 1] samen met anderen aan de tafel heeft gestaan tijdens het rammen van de lustrumdeuren."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Op 13 april 2001 was ik getuige van hetgeen zich heeft afgespeeld bij het "uitdrinken" van (oud)bewoners van Wallon. Ik zag dat een groep van ongeveer 30 man met de leestafel schoven. Ik had het idee dat onder andere [medeverdachte 1] en [verdachte] een beetje de leiding hadden. Zij hebben een indrukwekkende indruk op mij achter gelaten door de manier van praten en de wijze waarop ze keken. Dit beangstigde mij.

De groep was onder invloed van alcohol. Een groot gedeelte waggelde van de alcohol. Ik zag dat [het slachtoffer] tussen de leestafel en de lustrumdeuren stond. Ik zag op een gegeven moment dat de leestafel met kracht in de richting van de lustrumdeuren werd geschoven. Ik hoorde een harde gil van [het slachtoffer]. Het schreeuwen ging door merg en been. Ik zag dat er iets uit zijn pols stak."

f. een geschrift, te weten een "verklaring vrijgeven medische gegevens", inhoudende als verklaring van een orthopedisch chirurg:

"Waargenomen letsel: beide polsen gebroken. Het is onzeker of volkomen genezing zal plaatsvinden. Het is onzeker of de ongeschiktheid van de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden zal voortduren. Het trauma zal ongeveer 10 tot 12 weken duren."

g. de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2004 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

"U houdt mij voor de gang van zaken bij het zogenaamde leestafel-zooien op 13 en 14 april 2001, zoals daarover is verklaard door de aangever en diverse getuigen. Het is mij bekend dat indien de tafel buiten komt het bestuur moet aftreden."

h. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar G. Kikkert, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Tijdens het bezoek aan Minerva, door de Walloniërs, op vrijdag 13 april 2001, omstreeks 23.30 uur, werd in de grote zaal van de Sociëteit (op de 1e etage) meubilair opzij geschoven. De Walloniërs waren ook al roepend de trap opgekomen. In de grote zaal is een leestafel. Dit is een tafel van 149 cm x 501 cm en heeft een gewicht van omstreeks 1000 kg. Een groot aantal Walloniërs pakken de leestafel op en deze wordt via de trap naar de uitgang getild."

3.2.3. Het Hof heeft in het verkorte arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:

"Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met anderen heeft deelgenomen aan het zogenaamde "leestafel-zooien". Het betrof een tafel van grote omvang en een gewicht van ca. 1000 kg. Die tafel werd niet alleen via een trap naar beneden gebracht - terwijl leden van het zittende bestuur moesten trachten dit te voorkomen - maar vervolgens gebruikt als stormram om de zgn. lustrum deuren (een nooduitgang, die normaal niet gebruikt werd en met een knop te openen was) open te beuken.

Ter terechtzitting is gebleken dat bij het leestafel-zooien en bij vergelijkbare "ludieke spellen" vaker mensen gewond raken. Voorts geldt dat het gebruiken van de zware tafel als stormram - in een smalle ruimte - mede gelet op de massaliteit van het gebeuren en het alcoholgebruik bij veel deelnemers als verhoogd gevaarzettend was aan te merken.

De kans op (ernstige) ongelukken was onder deze omstandigheden aanmerkelijk te noemen en verdachte moet geacht worden dat ook te hebben geweten.

Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte en zijn mededaders ervan uitgingen dat de bestuursleden, die de tafel moesten tegenhouden zo "voor zichzelf zouden zorgen" dat zij zelf ernstige ongelukken zouden weten te vermijden. Anders gezegd: dat verdachte weliswaar weet had van de aanmerkelijke kans op een ernstig ongeluk, maar ervan uitging dat een dergelijk gevolg niet zou intreden, omdat de bestuursleden zelf dat wel zouden (weten te) voorkomen. Het bestaan van (voorwaardelijk) opzet acht het hof dan ook niet bewezen, maar wel acht het hof bewezen dat verdachte met aanmerkelijke onachtzaamheid en onvoorzichtigheid heeft gehandeld, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voorzover verdachte heeft willen betogen dat het ongeval aan het slachtoffer te wijten was, omdat die ervoor heeft gekozen voor de tafel langs te willen "vluchten" op een moment dat dit niet meer kon, verwerpt het hof dit betoog. Het slachtoffer heeft in een oogwenk, toen hij zich zeer bedreigd voelde als gevolg van de gevaarlijke situatie waarin hij mede door verdachte was gebracht, een keuze gemaakt om aan het gevaar te ontkomen. Daargelaten dat zulks naar het oordeel van het hof - ook achteraf - gelet op de ontstane gevaarssituatie niet onbegrijpelijk is, geldt dat zelfs als hier een zekere mate van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer in te ontdekken zou zijn, zulks niet afdoet aan de (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van verdachte.

Voorzover voorts de verdediging heeft willen betogen (zakelijk weergegeven) dat het hele gebeuren is te beschouwen als niet meer dan een ongeluk bij een op zichzelf binnen Minerva gebruikelijk spel, vindt dat betoog zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.

Het hof laat dan nog daar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het gebruiken van de tafel als stormram teneinde de zogenaamde lustrumdeuren te forceren tot de gebruikelijke onderdelen van een dergelijk spel behoorde."

3.2.4. In de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is voorts de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

"Het hof overweegt in aanvulling op de in het verkorte arrest geformuleerde bewijsoverweging het volgende.

De vaststelling dat ter terechtzitting is gebleken dat bij het leestafel-zooien en bij vergelijkbare "ludieke spellen" vaker mensen gewond raken vindt haar grondslag in:

a. de aangifte van [het slachtoffer] (proces-verbaal politie, pg. 42);

b. de medische informatie van het AZL (1997) t.a.v. aangever: "bij zooien op re-schouder gevallen...

Diagnose: distorsie, laatste bezoek 07-10-1997;

c. pleitnota mr. Van Stigt (in de zaken [medeverdachte 1] en [verdachte]) voor de zitting van 17 maart 2003 (eerste aanleg), pg.10 sub 6, blijkens pleitaantekeningen van mr. H.J. van den Noort van diezelfde datum in de zaak [medeverdachte 2] als aldaar herhaald en ingelast beschouwd (sub 7).

De aannemelijkheid dat verdachte en zijn mededaders ervan uitgingen dat de bestuursleden, die de tafel moesten tegenhouden zo "voor zichzelf zouden zorgen" dat zij zelf ernstige ongelukken zouden weten te vermijden ontleent het hof onder meer aan het gestelde in de pleitnotitie van mr. Van den Noort voor de terechtzitting van 3 juni 2004: "De spelregels worden de eerstejaars bijgebracht: je zorgt dat je niet bekneld raakt" ....(pg. 22)."

3.3. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijk letsel - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

3.4. Het oordeel van het Hof omtrent de bewezenverklaarde schuld is, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de

bewijsoverwegingen, in de kern op het volgende gebaseerd:

- de verdachte heeft in een relatief kleine ruimte met omstreeks dertig personen, van wie velen alcoholhoudende drank hadden genuttigd, met een zeer grote en zware tafel tegen deuren geramd teneinde die deuren te openen;

- de verdachte vervulde een voortrekkersrol in het gebeuren, dat al was voorafgegaan door het niet ongevaarlijk via een trap naar beneden brengen van deze tafel;

- de verdachte was op de hoogte van het evident gevaarzettende karakter van dit handelen; en

- de verdachte had, gelet op het gevaarzettend gedrag, bedacht kunnen en moeten zijn op onvoorspelbaar gedrag van het slachtoffer, dat als bestuurslid geacht werd het naar buiten brengen van de tafel te verhinderen.

Het bovengenoemde oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het in de

delictsomschrijving voorkomende bestanddeel schuld en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk, en gelet op het geheel van de gebeurtenissen niet onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat ook als het toebrengen van het letsel aan het slachtoffer voor de verdachte niet (meer) vermijdbaar zou zijn geweest als gevolg van de gedragingen van het slachtoffer en die van de medeverdachten, deze omstandigheid mede door de verdachte en zijn medeverdachten in het leven is geroepen. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

3.5. In de toelichting op het middel wordt voorts nog aangevoerd dat het Hof de 'spelexceptie' heeft miskend. Hetgeen daaromtrent door het Hof is overwogen, wordt door de stellers van het middel in het licht van het gevoerde verweer onbegrijpelijk geacht.

3.6. Vooropgesteld moet worden dat indien de letsel veroorzakende gedragingen zijn begaan in een min of meer

reguliere sport- of spelsituatie, van schuld als bedoeld in art. 308 Sr in de regel minder snel sprake zal zijn, dan indien diezelfde gedragingen buiten zo'n situatie zijn begaan. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake was van een dergelijke spelsituatie die aan een bewezenverklaring van schuld in de weg zou staan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat uit de bewijsmotivering volgt dat sprake was van zeer gevaarzettend handelen, maar niet van een door duidelijke spelregels afgebakend spel.

3.7. Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte passages uit de pleitnota van de raadsman van de verdachte, alsmede passages uit de pleitnota van een raadsvrouwe in een andere zaak, als bewijsmiddel heeft gebruikt. Het middel doelt daarbij op de nadere bewijsoverweging van het Hof die hiervoor onder 3.2.4 is opgenomen.

4.2. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals de Hoge Raad in eerdere

jurisprudentie heeft geoordeeld, kunnen verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet op de voet van art. 279, eerste lid, Sv, als zodanig optreedt, niet als wettige bewijsmiddelen gelden (vgl. HR 15 september 1980, NJ 1981, 13 en HR 8 januari 2002, NJ 2002, 340). Daarmee valt niet te verenigen dat een door de raadsman overgelegde pleitnota wel als zodanig zou kunnen gelden. Een dergelijke pleitnota kan dus niet worden aangemerkt als een wettig bewijsmiddel, meer in het bijzonder niet als een ander geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5°, Sv. Dat geldt ook ten aanzien van een pleitnota van een raadsman van een medeverdachte.

4.3.1. Het middel neemt terecht tot uitgangspunt hetgeen hiervoor onder 4.2 is vooropgesteld. Niettemin leiden de in het middel vervatte klachten niet tot cassatie op grond van het navolgende.

4.3.2. In de hiervoor onder 3.2.3 opgenomen, in het middel in de eerste plaats genoemde bewijsoverweging heeft het Hof overwogen dat ter terechtzitting is gebleken dat bij het "leestafel-zooien" en bij vergelijkbare "ludieke spellen" vaker mensen gewond raken. In de hiervoor onder 3.2.4 opgenomen nadere bewijsoverweging heeft het Hof als de wettige bewijsmiddelen waaraan het de feiten en omstandigheden waarop deze vaststelling steunt, heeft ontleend, aangewezen: het proces-verbaal van politie met de aangifte van [het slachtoffer], een geschrift, houdende medische informatie, en een gedeelte uit de in eerste aanleg overgelegde pleitnota van de raadsman van de verdachte mr. Van Stigt. Voor wat dat laatste betreft heeft het Hof miskend hetgeen hiervoor onder 4.2 is vooropgesteld. Tot cassatie behoeft dit niet te leiden.

Het betoog dat is vervat in het gedeelte van de pleitnota waarop het Hof doelt, bevat in de kern een verwijzing naar genoemde, bij de politie afgelegde verklaring van [het slachtoffer], zodat aan de verwijzing door het Hof naar die pleitnota, beschouwd in het geheel van die bewijsoverweging, geen zelfstandige betekenis toekomt.

4.3.3. Wat de tweede in het middel aangevallen bewijsoverweging betreft, geldt het volgende. Blijkens de hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overweging heeft het Hof aannemelijk geacht dat de verdachte en de medeverdachten ervan uitgingen dat de bestuursleden die de tafel moesten tegenhouden, in die mate 'voor zichzelf zouden zorgen' dat zij zelf ernstige ongelukken zouden weten te vermijden. Gelet op het vervolg van de overweging heeft het Hof die passage kennelijk opgenomen om aan te geven dat van (voorwaardelijk) opzet geen sprake was en dat de verdachte daarom van de desbetreffende onderdelen van de tenlastelegging diende te worden vrijgesproken. Het middel, dat uitgaat van de opvatting dat het Hof blijkens de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overweging de pleitnotities van mr. Van den Noort heeft gebezigd tot het bewijs van het tenlastegelegde, steunt dus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.

4.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, J de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober 2006.