Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX8618

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
01525/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX8618
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ex art. 359.1 jo. art. 415 Sv dient het arrest, op straffe van nietigheid (art. 359.8 Sv) de vordering van de AG te bevatten. Het hof heeft het PR-vonnis bevestigd, m.u.v. o.m. de strafmotivering. Het zittings-pv vermeldt de inhoud van de vordering. In ’s hofs arrest staat dat het “heeft kennis genomen van de vordering van de AG”. Het arrest voldoet niet aan voormeld vereiste nu daarin niet de vordering van de AG is opgenomen. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden. Door een kennelijke vergissing is verzuimd de vordering in het arrest op te nemen. HR leest ’s hofs arrest met verbetering van die misslag, zodat aan het middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 592
NJ 2006, 551
RvdW 2006, 938

Uitspraak

3 oktober 2006

Strafkamer

nr. 01525/05

PB/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 februari 2005, nummer 23/003987-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank te Utrecht heeft bij vonnis van 29 april 1999 de verdachte ter zake van 1. "poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" en 2. tot en met 7. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Voorts heeft de Rechtbank omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen beslist als in het vonnis is weergegeven, waaronder toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] tot een bedrag van fl. 500,- (= € 226,89), [betrokkene 2] tot een bedrag van fl. 4858,85 (= € 2204,85), [betrokkene 3] tot een bedrag van fl. 250,- (= € 113,45) en [betrokkene 4] tot een bedrag van fl. 500,- (= € 226,89). Voorts heeft de Rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Het Hof heeft in hoger beroep dit vonnis bevestigd, behoudens wat betreft de strafoplegging, de schadevergoedingsmaatregelen en de beslissing omtrent de voorwaardelijk opgelegde straf. Met vernietiging van het vonnis in zoverre heeft het Hof de verdachte ter zake van voormelde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 192 dagen.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, eerste lid, in verbinding met art. 415 Sv, ten onrechte heeft nagelaten de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof in het arrest op te nemen.

3.2. Ingevolge art. 359, eerste lid, in verbinding met art. 415 Sv dient het arrest de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof te bevatten. Niet-naleving van dit voorschrift leidt ingevolge art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.

3.3. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever met de wijziging van art. 359 Sv zoals dit per 1 januari 2005 luidt onder meer beoogd:

"Dit amendement heeft tot doel de motiveringsplicht van de rechter aan te scherpen. Meer dan thans het geval is moet een rechterlijke uitspraak in het licht van de discussie ter terechtzitting inzicht geven in de redenen die hebben geleid tot de aard en hoogte van de opgelegde straf of maatregel. (...)

Bij deze aanscherping past dat het vonnis, waaronder tevens begrepen het verkorte vonnis, tevens blijk geeft van de vordering van de officier van justitie. In het zeer uitzonderlijke geval dat de officier van justitie zijn vordering niet overlegt, geeft het vonnis van dit feit blijk. Strafvordering 2001 bepleit de ontwikkeling naar een contradictoire strafprocedure. Het onderhavige wetsvoorstel geeft invulling aan deze richting door bij een bekennende verdachte de procedure te vereenvoudigen. Daar tegenover staat dat de door de verdediging en/of door de officier van justitie ingenomen en onderbouwde standpunten expliciet moeten worden besproken in het vonnis als ze niet worden gevolgd. Hieronder wordt mede begrepen het geval dat de rechtbank bij vonnis afwijkt van de gemotiveerde vordering van de officier van justitie, ook indien de straf lager is. Het gevolg hiervan is dat de bijzondere en beperkte motiveringsplicht voor straffen die zwaarder zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, kan komen te vervallen." (Kamerstukken II 2003-2004, 29 255, nr. 8, blz. 2)

3.4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2005 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Hij vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest en dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen zoals in eerste aanleg gedaan, echter zonder dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd."

3.4.2. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, de beslissing omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf en de betalingsverplichtingen ingevolge art. 36f Sr met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen. Voorts heeft het Hof aan de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 63 Sr toegevoegd. In het arrest van het Hof staat vermeld:

"Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal (...)."

3.5. De bestreden uitspraak voldoet niet aan het hiervoor onder 3.2 genoemde vereiste nu het Hof daarin niet de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft opgenomen. Het middel klaagt daarover terecht.

3.6. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Door een kennelijke vergissing is verzuimd die vordering in 's Hofs arrest op te nemen. De Hoge Raad leest het arrest van het Hof met verbetering van die misslag. Dat brengt mee dat aan het middel de feitelijke grondslag is komen te ontvallen.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 oktober 2006.