Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX7442

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
01224/05 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX7442
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Fouillering o.g.v. bevel HovJ betreffende eenieder en elk voertuig vzv. aan bepaalde kenmerken is voldaan. Verdachte is kort na aankomst vanuit A’dam op de luchthaven Hato te Curaçao als inzittende van een auto ter controle staande gehouden. Bij onderzoek bleek hij het bewezenverklaarde geldbedrag bij zich te hebben en werd in de auto in een heuptasje een paspoort aangetroffen op naam van een ander maar met foto van verdachte. De staandehouding en het onderzoek werden door de politieambtenaren verricht in het kader van een grootschalige actie ter uitvoering van een bevel van de HOvJ. Bij de klacht dat het onderzoek geen toereikende wettelijke basis heeft en dat daarom niet is voldaan aan art. 8 EVRM, dient te worden vooropgesteld dat een jegens een burger uitgeoefende bevoegdheid waarmee inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer, moet zijn gebaseerd op een wettelijke regeling die toegankelijk is voor het publiek en die zodanig is geformuleerd dat een ieder de gevolgen van zijn handelen kan voorzien (vgl. EHRM 4 juni 2002, no. 37331/97 en no. 33129/96). Voor de beoordeling van de klacht is van belang dat de Opiumlandsverordening 1960 en de Vuurwapenverordening 1930 in de art. 10a, 10b en 10c respectievelijk 13c, 13d en 13e bij vervulling van bepaalde vereisten de bevoegdheden bevatten om in de daar nader omschreven gevallen te vorderen dat de verpakking van goederen, inclusief reisbagage, wordt geopend, om vervoermiddelen te onderzoeken en om te vorderen dat medewerking wordt verleend aan een onderzoek aan de kleding. Tevens is in deze artikelen voorzien dat de OvJ bij schriftelijk bevel kan gelasten dat deze bevoegdheden onder bepaalde omstandigheden tegen een ieder kunnen worden uitgeoefend. Deze regelingen, die openbaar zijn gemaakt, maken het aan een ieder mogelijk om zijn gedrag hierop af te stemmen en voldoen derhalve aan het vereiste van toegankelijkheid. Voorts zijn zij voldoende duidelijk om een belanghebbende in staat te stellen te voorzien welke gevolgen hem te wachten kunnen staan, i.h.b. dat hij kan worden staande gehouden voor een controle op de aanwezigheid van drugs en/of vuurwapens en dat de OvJ, als hij daar redenen voor heeft, kan bevelen dat die bevoegdheid tegen iedereen, onderscheidenlijk tegenover elk vervoermiddel kan worden aangewend. ‘s Hofs oordeel dat de uitgeoefende bevoegdheden een toereikende wettelijke grondslag hebben, is onjuist noch onbegrijpelijk. De klacht dat het uitoefenen van de bevoegdheden jegens verdachte disproportioneel was faalt omdat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit die disproportionaliteit zou kunnen blijken, terwijl ‘s Hofs oordeel dat het bevel van de HOvJ onder de daarin genoemde omstandigheden noodzakelijk is in een democratische samenleving a.b.i. art. 8.2 EVRM geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 411
NBSTRAF 2006/411
JOL 2006, 631
NJ 2007, 80
RvdW 2006, 984

Uitspraak

17 oktober 2006

Strafkamer

nr. 01224/05 A

EC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 maart 2005, nummer 901.020/03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Bon Futuro" te Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 6 augustus 2004 - de verdachte ter zake van 1. "niet opzettelijk overtreden van artikel 2, lid 1, van de Landsverordening aanmeldingsplicht van grensoverschrijdende geldtransporten" en 2. "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij vals of vervalst is" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van NAF 5.000,-, subsidiair honderd dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. I. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel richt zich tegen de verwerping van een gevoerd verweer inhoudende dat het bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is vergaard.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard

1. dat hij op 19 juni 2003 op het eiland Curaçao heeft nagelaten bij de douane aangifte te doen van een grensoverschrijdend transport van f. 20.000,- of meer, en

2. dat hij toen en daar in het bezit was van een vervalst Nederlands paspoort.

3.3. Blijkens zijn vonnis heeft het Hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Namens verdachte is door diens raadsman aangevoerd dat voor beide telastegelegde feiten vrijspraak dient te volgen, omdat het bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is vergaard. De raadsman heeft daartoe gesteld dat er jegens [verdachte] geen redelijk vermoeden van schuld bestond, dat de fouillering en het onderzoek van de auto (derhalve) een wettelijke basis ontbeerden en dat er is gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Het Hof verwerpt het verweer. Uit het proces-verbaal van aanhouding van de verbalisanten Sambo en Fleming blijkt dat het onderzoek van de kleding en de auto van [verdachte] was gebaseerd op een "bevel uitoefenen bevoegdheden: opening verpakking van goederen en reisbagage, onderzoeken van vervoermiddelen en onderzoek aan de kleding van personen uitgevaardigd door de Hoofdofficier van justitie" en derhalve niet op een jegens [verdachte] bestaand vermoeden van schuld. Het betreffende bevel, op 11 juni 2003 uitgevaardigd door de Hoofdofficier van Justitie, bevindt zich in het dossier. Het bevel is gebaseerd op de artikelen 13c, 13d, en 13e van de Vuurwapenverordening 1930 (Vwv) en van de Wapenverordening 1931, alsmede de artikelen 10a, 10b en 10c van de Opiumlandsverordening 1960 (Olv). In deze artikelen wordt - kort gezegd en voor zover hier van belang - aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid toegekend om vervoermiddelen te onderzoeken of te vorderen dat wordt meegewerkt aan een onderzoek van reisbagage of kleding, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit (waarbij is gehandeld in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, B of D van de Olv of waarbij (vuur)wapens zijn gebruikt) of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat, doch de officier van justitie kan bij met redenen omkleed schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegen eenieder wordt uitgeoefend. In casu geldt dat in het bevel gemotiveerd wordt aangegeven dat er in juni 2003 concrete aanwijzingen waren dat rond het vliegveld Hato (kort) voor en na vluchten naar Nederland strafbare feiten zullen worden gepleegd waarbij gehandeld wordt in strijd met eerder genoemde bepalingen van de Olv of waarbij vuurwapens worden gebruikt. De (hoofd)officier van justitie heeft voorts in dit met redenen omklede bevel aangegeven dat de eerdergenoemde bevoegdheden jegens eenieder en elk voertuig kunnen worden uitgeoefend. Anders dan de raadsman heeft betoogd, berusten de jegens [verdachte] uitge-oefende bevoegdheden dus wel degelijk op een wettelijke grondslag.

De stelling dat deze bevoegdheden in strijd zijn met artikel 8 EVRM, verwerpt het Hof. Vanzelfsprekend levert de uitoefening van deze bevoegdheden een inbreuk op de privacy op, doch artikel 8 lid 2 van het EVRM bepaalt dat een dergelijke inbreuk is toegestaan voor zover bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van (onder meer) de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat sprake moet zijn van een dringende maatschappelijke behoefte, dat de inbreuk proportioneel dient te zijn en dat de redenen die voor de inbreuk worden gegeven relevant en voldoende zijn. Aan al deze voorwaarden is in casu voldaan. Gelet op de in het bevel weergegeven gebeurtenissen rond de luchthaven Hato in 2003, kan worden geoordeeld dat een dringende maatschappelijke behoefte bestond aan stringentere controle ter voorkoming van drugs- en vuurwapendelicten. De inbreuk kan voorts proportioneel worden geoordeeld, waarbij van belang is dat het bevel beperkt is in tijd en plaats (namelijk uitsluitend gedurende een in duur beperkte periode en slechts op bepaalde tijden in de onmiddellijke omgeving van luchthaven Hato) en voorts is beperkt tot een vrij nauwkeurig omschreven groep personen. Tenslotte zijn - zoals eerder overwogen - in het bevel de redenen voor de inbreuk uitvoerig weer-gegeven; het Hof is van oordeel dat deze redenen

relevant en voldoende zijn.

Al met al moet daarom worden geoordeeld dat het onderzoek waarbij het geld en het valse paspoort zijn gevonden, rechtmatig was; zowel het inbeslaggenomen geld als het inbeslaggenomen valse paspoort kunnen derhalve bijdragen tot het bewijs."

3.4. De relevante wetsbepalingen luiden als volgt:

(i) Opiumlandsverordening 1960:

- Art. 10a:

"1. De in artikel 9, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, wordt geopend, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij gehandeld is in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B, of D, 3a, eerste lid, onderdelen A, B of D, of 4, eerste lid, onderdeel A, gestelde verbod, of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat.

De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

(...)"

- Art. 10b:

"1. De in artikel 9, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij gehandeld is in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B, of D, 3a, eerste lid, onderdelen A, B of D, of 4, eerste lid, onderdeel A, gestelde verbod, of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat. De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid

tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

(...)"

- Art. 10c:

"1. De in artikel 9, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd personen die zich op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats bevinden te vorderen dat deze hun medewerking verlenen aan een onderzoek aan de kleding, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij gehandeld is in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B, of D, 3a, eerste lid, onderdelen A, B of D, of 4, eerste lid, onderdeel A, gestelde verbod, of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat.

De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

(...)"

(ii) Vuurwapenverordening 1930:

- Art. 13c:

"1. De in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van goederen, met inbegrip van reis-bagage, wordt geopend, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij vuurwapenen zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat.

De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

(...)"

- Art. 13d:

"1. De in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij vuurwapenen zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat. De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

(...)"

- Art. 13e:

"1. De in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd personen die zich op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats bevinden te vorderen dat deze hun medewerking verlenen aan een onderzoek aan de kleding, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij vuurwapenen zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat.

De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

(...)"

3.5. Bij de stukken van het geding bevindt zich een

'Bevel uitoefenen bevoegdheden: opening verpakking van goederen en reisbagage, onderzoeken van vervoermiddelen en onderzoek aan kleding van personen' van 11 juni 2003, inhoudende:

"De Hoofdofficier van Justitie van de Nederlandse Antillen:

Overwegende:

Dat gebruikers van, en personen werkzaam in (de onmiddellijke nabijheid van) Hato International Airport steeds vaker worden geconfronteerd met uitvoer en vervoer van verdovende middelen alsmede daarmee samenhangende gewelddadige vormen van criminaliteit, waarbij vuurwapens en wapens worden aangewend, of hiermede wordt gedreigd;

Dat onder de gebruikers en personen werkzaam in of bij Hato International Airport grote gevoelens van onveiligheid bestaan ten aanzien van deze criminaliteit;

Dat de uitvoer en vervoer van verdovende middelen alsmede het (vuurwapen)geweld op Hato International Airport grote maatschappelijke onrust veroorzaakt;

Dat verdovende middelen, met name cocaïne, een groot gevaar vormen voor de volksgezondheid;

Overwegende:

Dat uit gegevens en/of informatie verzameld door het Hatoteam, het Schipholteam, opsporingsgegevens verzameld door het Douane Informatiecentrum Nederlandse Antillen, registraties en verwerking van (opsporings)informatie van de Douanerecherche en verzamelde informatie over de pre flight controle, alsmede CID informatie en informatie voortkomende uit individuele strafzaken van Hato drugskoeriers het navolgende blijkt:

In de maanden januari, februari, maart en april 2003 werden in totaal 281 inbeslagnames van verdovende middelen uitgevoerd door Douanerecherche van Hato International Airport. Hierbij werd in totaal 455.675 gram cocaïne in beslag genomen. Deze verdovende middelen hadden als bestemming de Nederlandse markt.

In januari 2003 werden op Hato 84 drugskoeriers aangehouden, danwel staande gehouden en met een dagvaarding heengezonden, in februari 174, in maart 207 en in april 211.

In deze periode, alsmede in de daaraan voorafgaande twee jaren hebben zich in of in de onmiddellijke omgeving van Hato International Airport veelvuldig schietincidenten voorgedaan, laatstelijk op 27 mei 2003, toen een tweetal onbekenden, rijdende op een motorfiets, een aantal schoten met een groot kaliber vuistvuurwapen afvuurde op de aankomsthal van Hato International Airport.

Deze schietincidenten houden rechtstreeks verband met de grootschalige en stelselmatige uitvoer van verdovende middelen vanuit Hato International Airport. Deze uitvoer is grotendeels in handen van criminele organisaties die per vlucht meerdere koeriers sturen. Ter bewaking van de verdovende middelen tegen overvallen van rivaliserende bendes danwel juist ter aanwending bij bemachtigen (rippen) van verdovende middelen van andere organisaties, alsmede in voorkomende gevallen, teneinde zich te verzekeren van de medewerking van de koeriers, bedienen leden van de organisatie zich van vuurwapens bij het afleveren van drugs en koeriers op Hato voor de vlucht naar Nederland. Hetzelfde doet zich voor bij het opwachten en alhier begeleiden van geldkoeriers van vluchten vanuit Nederland naar Curaçao. Daarnaast worden de vuurwapens gebruikt ter intimidatie van personeelsleden werkzaam op Hato International Airport.

In april 2002 werd gestart met zgn. pre-flight controles op vluchten naar Nederland door het Hatoteam. Hierbij is het streven gericht op het weren van potentiële bolitaslikkers die naar Nederland afreizen. Na een negatief reisadvies van het Hatoteam is het doorgaans voor de passagier niet meer mogelijk om naar Nederland te reizen. De weigering van grote aantallen passagiers op de vluchten leidt tot spanningen en frustraties, die zich uiten in verstoringen van de openbare orde, waarbij ook vuurwapengebruik niet gemeden wordt;

Overwegende:

Dat uit de bovengeschetste situatie kan worden afgeleid dat er concrete aanwijzingen bestaan dat te Hato International Airport (kort) voor en na vluchten naar Nederland strafbare feiten zijn gepleegd of zullen worden gepleegd waarbij gehandeld is of zal worden in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B of D of 4, eerste lid, onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960 gestelde verbod;

Dat uit de bovengeschetste situatie, waarbij er vooralsnog geen tekenen zijn dat de uitvoer van verdovende middelen via Hato International Airport vermindert, valt af te leiden dat er concrete aanwijzingen zijn dat op Hato kort voor en na vluchten naar en vanuit Nederland vuurwapens gebruikt (zullen) worden;

Overwegende:

Dat op basis van gegevens van aangehouden koeriers, interpretatie van CID informatie en bij politiediensten aanwezige informatie een navolgende profielschets gegeven kan worden van personen die zich bezighouden met uitvoer en vervoer van verdovende middelen en/of die gebruik maken van vuurwapens:

Jonge, (tussen de 16 en 40 jaar oud) personen van overwegend Curaçaose, Dominicaanse of Colombiaanse afkomst. De mannelijke personen besturen scooters of voertuigen van met name het merk Ford Focus, Toyota Yaris en Toyota Echo (vaak huurautos). Ook bewegen zij zich soms voort in voertuigen van de wat duurdere categorie (SUV's, voertuigen van het merk BMW) of op dure zware motorfietsen die niet in overeenstemming te brengen zijn met hun (gezien hun leeftijd en opleiding) geschatte legale inkomen. Vaak worden meerdere veelal jeugdige personen met bagage afgezet. Bestuurders en inzittenden vallen soms op door hun rijgedrag en -stijl, met name het zeer snel optrekken en de wijze waarop de voorstoelen zijn afgesteld (bijna in slaapstand). Tijdens het zich ophouden in en rond de luchthaven ten tijde van vertrek of aankomst van een risicovlucht maken zij veelvuldig gebruik van (vaak dure) mobiele telefoons.

Overwegende:

Dat op grond van het bovenstaande redelijkerwijze aanleiding bestaat om tijdens DCA en KLM vluchten van en naar Nederland te Hato International Airport bij bepaalde categorieën personen verpakkingen van goederen en reisbagage te doorzoeken, vervoermiddelen te onderzoeken en onderzoeken aan de kleding te verrichten:

Gezien:

De artikelen 13c, 13d en 13e van de Vuurwapenverordening 1930 (PB 1967, no. 169) en van de Wapenverordening 1931 (PB 1967, no. 168), zoals gewijzigd, alsmede de artikelen 10a, 10b en 10c van de Opiumlandsverordening 1960, zoals gewijzigd;

Gelast:

Dat de in artikel 13, eerste lid van eerdergenoemde verordeningen bedoelde ambtenaren, in de periode van 11 juni 2003 tot en met 31 december 2003 bevoegd zijn om ter inbeslagneming van (vuur)wapens en verdovende middelen:

1. te vorderen dat de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage wordt geopend;

2. vervoermiddelen te onderzoeken en

3. te vorderen dat na te noemen categorieën personen, die zich op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats bevinden, hun medewerking verlenen aan een onderzoek aan de kleding.

Op de voorrijwegen voor Hato International Airport, Plasa Margaret Abraham, het deel van de Franklin D. Rooseveldtweg dat langs Hato International Airport loopt, de parkeerplaats voor Hato International Airport alsmede alle voor het publiek toegankelijke plaatsen in het gebouw van Hato International Airport voor de paspoort en ticketcontrole.

Gedurende de periode van vier uren voor de geplande vertrektijd van een vlucht van DCA of KLM naar Nederland tot een uur na dat tijdstip, alsmede een uur voor de geplande aankomst van een vlucht van DCA of KLM vanuit Nederland, tot twee uur na dat tijdstip.

Ten aanzien van eenieder en elk voertuig, waarvoor geldt dat:

- het jonge personen (tussen de 16 en de ca. 40 jaar) betreft die zich ophouden in of bij het gebouw van Hato International Airport, of zich (kenmerkend door een opvallende rijstijl of imponerend rijgedrag) aldaar voortbewegen of stilstaan in voertuigen als de Ford Focus, Toyota Yaris, Toyota Echo, dure SUV's of dure motorfietsen en scooters.

Willemstad, 11 juni 2003

De Hoofdofficier van Justitie."

3.6. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De verdachte is kort na zijn aankomst op 19 juni 2003 vanuit Amsterdam op de luchthaven Hato te Curaçao als inzittende van een auto ter controle staande gehouden. Bij onderzoek bleek hij het bewezenverklaarde geldbedrag bij zich te hebben en werd in de auto in een heuptasje een paspoort aangetroffen op naam van een ander maar met de foto van de verdachte. De staandehouding en het onderzoek werden door de ambtenaren van politie verricht in het kader van een grootschalige actie ter uitvoering van het hiervoor onder 3.5 weergegeven bevel van 11 juni 2003 van de Hoofdofficier van Justitie.

3.7. Voor zover het middel in onderdeel A klaagt dat het enkele feit dat in het verleden op en rondom de luchthaven Hato veel drugs- en vuurwapendelicten zijn gepleegd, niet voldoende is voor de aan het bevel van de Hoofdofficier van Justitie ten grondslag liggende opvatting dat er redelijkerwijs aanleiding is aan te nemen dat opnieuw dergelijke strafbare feiten zijn of zullen worden gepleegd, faalt het nu dit verweer in feitelijke aanleg niet is gevoerd en een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.

3.8.1. Voor zover het middel in onderdeel B klaagt dat het onderzoek geen toereikende wettelijke basis heeft en dat daarom niet is voldaan aan de eisen van art. 8 EVRM, dient te worden vooropgesteld dat een jegens een burger uitgeoefende bevoegdheid waarmee inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer, moet voldoen aan het vereiste dat het is gebaseerd op een wettelijke regeling die toegankelijk is voor het publiek en die zodanig is geformuleerd dat een ieder de gevolgen van zijn handelen kan voorzien (vgl. Landvreugd tegen Nederland, EHRM 4 juni 2002, no. 37331/97 en Olivieira tegen Nederland, EHRM 4 juni 2002, no. 33129/96).

3.8.2. Voor de beoordeling van de klacht is van belang dat de Opiumlandsverordening 1960 en de Vuurwapenverordening 1930 in de art. 10a, 10b en 10c respectievelijk 13c, 13d en 13e bij vervulling van bepaalde vereisten de bevoegdheden bevatten om in de daar nader omschreven gevallen te vorderen dat de verpakking van goederen, inclusief reisbagage, wordt geopend, om vervoermiddelen te onderzoeken en om te vorderen dat medewerking wordt verleend aan een onderzoek aan de kleding. Tevens is in deze artikelen voorzien dat de officier van justitie bij schriftelijk bevel kan gelasten dat deze bevoegdheden onder bepaalde omstandigheden tegen een ieder kunnen worden uitgeoefend. Deze regelingen, die openbaar zijn gemaakt, maken het aan een ieder mogelijk om zijn gedrag hierop af te stemmen en voldoen derhalve aan het vereiste van toegankelijkheid. Voorts zijn zij voldoende duidelijk om een belanghebbende in staat te stellen te voorzien welke

gevolgen hem te wachten kunnen staan, in het bijzonder dat hij kan worden staande gehouden voor een controle op de aanwezigheid van drugs en/of vuurwapens en dat de officier van justitie, als hij daar redenen voor heeft, kan bevelen dat die bevoegdheid tegen iedereen, onderscheidenlijk tegenover elk vervoermiddel kan worden aangewend.

3.8.3. Het oordeel van het Hof dat de uitgeoefende bevoegdheden een toereikende wettelijke grondslag hebben, getuigt tegen de achtergrond van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

3.9. Voor zover ten slotte het middel beoogt te betogen dat het uitoefenen van de bevoegdheden jegens de verdachte disproportioneel was faalt het eveneens omdat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit die disproportionaliteit zou kunnen blijken, terwijl het oordeel van het Hof dat het bevel van de Hoofdofficier van Justitie onder de daarin genoemde omstandigheden noodzakelijk is in een democratische samenleving als bedoeld in art. 8, tweede lid, EVRM geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.10. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 oktober 2006.

Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.