Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX7370

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
42437
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Energie-investeringsaftrek-verklaring, geen klacht over het begrip bedrijfsmiddelen of investeren. Ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Wet inkomstenbelasting 2001 3.42
Wet inkomstenbelasting 2001 3.42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/32
BNB 2006/291
V-N 2006/33.6 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1047
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.437

9 juni 2006

LB

gewezen op het beroep in cassatie van X1 en X2 te Z tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 21 juni 2005, nr. AWB 04/602, betreffende na te melden besluiten van de Minister van Economische Zaken.

1. Besluiten, bezwaren en geding voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Belanghebbenden hebben bij de Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister) een verzoek ingediend om verklaringen als bedoeld in artikel 3.42, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). De Minister heeft besloten deze verzoeken niet in behandeling te nemen.

Tegen de ongegrondverklaring van hun daartegen gerichte bezwaren hebben belanghebbenden beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College).

Het College heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het College is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het College beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klacht

De in cassatie bestreden uitspraak van het College betreft het niet in behandeling nemen van verzoeken om verklaringen in het kader van de toepassing van de energie-investeringsaftrek. Beroep in cassatie tegen een uitspraak op een beroep betreffende een zodanige verklaring kan op de voet van artikel 3.42, lid 8, van de Wet worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.

Het onderhavige cassatieberoep is echter niet ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van (een van) die begrippen. De aangevoerde klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.