Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX7369

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
42426
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2470
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 7, lid 4, Wet OB 1968: in geval van naheffingsaanslag kunnen belastingplichtigen zich beroepen op het zijn van een fiscale eenheid, ook indien eerder een verzoek daartoe is afgewezen en deze afwijzing onherroepelijk vaststaat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2006/104 met annotatie van G.J. VAN NORDEN
BNB 2006/313 met annotatie van R.N.G. VAN DER PAARDT
Belastingadvies 2006/13.11
V-N 2006/34.22 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1037 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.426

9 juni 2006

whk

gewezen op het beroep in cassatie van de Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juli 2005, nr. 00/02594, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 30 september 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 219.388, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 2 februari 1999 hebben belanghebbende en de Stichting A de Inspecteur verzocht hen op de voet van het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) als één ondernemer aan te merken. Bij beschikking van 24 februari 1999 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking hebben belanghebbende en de Stichting A geen bezwaar gemaakt.

3.1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van het verrichten van belaste prestaties jegens de Stichting A op 26 januari 2000 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu de in 3.1.1 vermelde beschikking onherroepelijk is komen vast te staan en niet is gesteld of gebleken dat de te dezen relevante feiten en omstandigheden in het tijdvak van naheffing anders zijn of anders zijn geworden dan die welke in genoemd verzoek zijn vermeld en waarvan de Inspecteur bij het geven van zijn beschikking is uitgegaan, belanghebbende in de onderhavige procedure zich niet erop kan beroepen dat zij en de Stichting A gedurende het naheffingstijdvak als één ondernemer moeten worden aangemerkt.

3.3.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 2006, nr. 41316, V-N 2006/8.16, overwogen dat, gelet op de betekenis die aan een beschikking ingevolge artikel 7, lid 4, van de Wet moet worden toegekend (vergelijk in dat verband ook HR 22 april 2005, nr. 38659, BNB 2005/230), belastingplichtigen die daarbij belang hebben, in een procedure ter zake van een naheffingsaanslag omzetbelasting zich erop kunnen beroepen dat zij als één belastingplichtige moeten worden aangemerkt op grond van de stelling dat zij in het tijdvak waarop de aanslag betrekking heeft, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht nauw met elkaar verbonden zijn. In dat geval dient de juistheid van die stelling te worden beoordeeld.

3.3.2. Het in 3.3.1 vermelde heeft, gelet op de aan een ingevolge artikel 7, lid 4, van de Wet gegeven beschikking toe te kennen betekenis, ook te gelden wanneer de inspecteur voorafgaand aan een naheffingsaanslag, bij beschikking heeft geweigerd een beschikking bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet af te geven. De omstandigheid dat eerstvermelde beschikking onherroepelijk is geworden, heeft niet tot gevolg dat daarmee de betreffende naheffingsaanslag voor juist moet worden gehouden. Voor een beperkte toetsing zoals die door het Hof is uitgevoerd, zou, gelet op het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, slechts plaats kunnen zijn, indien ter beoordeling zou hebben gestaan een beschikking van de Inspecteur waarbij is beslist op een nieuwe aanvraag voor een beschikking bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet.

De klachten slagen derhalve.

3.3.3. Gelet op hetgeen hiervóór in 3.3.2 is overwogen kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 42427 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 207, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, C.B. Bavinck, P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.