Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX7319

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
40870
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 17, lid 2, Wet WOZ. Bij waardering rekening houden met kans op ongedaanmaking van een nog niet onherroepelijk verleende vrijstelling.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/919
BNB 2006/289
V-N 2006/34.28 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1050
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.870

9 juni 2006

Za

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 april 2004, nr. 02/03249, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op ƒ 14.463.000 (€ 6.563.023).

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Enschede bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De onderhavige onroerende zaak, een perceel grond waarop een aantal opslaghallen is gebouwd, is gelegen in een gebied waarvoor krachtens het geldende bestemmingsplan de bestemming 'agrarische doeleinden klasse A' is opgenomen. Vooruitlopend op een voorgenomen bestemmingswijziging heeft de gemeente op 20 januari 1999 vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend. Daartegen is door een omwonende bezwaar gemaakt; een daaruit voortvloeiende beroepsprocedure bij de Raad van State was ten tijde van de behandeling van de zaak voor het Hof nog niet afgerond. Ten aanzien van de vrijstelling is geen schorsing gevraagd of verleend.

De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar vastgesteld naar de staat van de zaak op 1 januari 2001 en naar de waarde van de zaak op 1 januari 1999.

3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende onder meer betoogd dat bij de waardevaststelling onvoldoende rekening is gehouden met het waardedrukkend effect dat uitgaat van de onzekerheid van een nog niet onherroepelijk vaststaande

vrijstelling. Het Hof heeft dat betoog verworpen, waartegen het tweede middel opkomt.

3.3. Indien ten aanzien van een onroerende zaak op de in aanmerking te nemen datum een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan van kracht is, dient daarmee rekening te worden gehouden voor de waardering van de onroerende zaak ingevolge de Wet WOZ. De omstandigheid dat de verleende vrijstelling nog niet onherroepelijk is omdat daartegen op bedoelde datum nog een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure loopt, brengt mee dat tevens rekening gehouden moet worden met een mogelijk waardedrukkend effect dat uitgaat van de kans dat de vrijstelling ongedaan zal worden gemaakt.

3.4. Het Hof heeft in onderdeel 4.3 van zijn uitspraak kennelijk geoordeeld dat belanghebbende zijn stellingen in verband met de onzekerheid over de uitkomst van de procedure bij de Raad van State onvoldoende heeft onderbouwd om te concluderen tot een lagere waarde. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat, gelet op de feiten en omstandigheden die in het geding zijn gebleken, de kans op ongedaanmaking van de vrijstelling niet zo reëel is dat - bij een veronderstelde overdracht van de onroerende zaak op de voet van artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ - een redelijk handelende gegadigde daarmee rekening zou houden. Dat oordeel geeft, gelet op het hiervoor onder 3.3 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Middel 2 faalt derhalve in zoverre.

3.5. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.