Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX6246

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
C05/002HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX6246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een Bureau voor Rechtshulp en een voormalig cliënt over aansprakelijkheid van het bureau voor de vermogensschade die de cliënt heeft geleden door een beroepsfout van de juridisch adviseur (onjuist informeren WW-rechten) bij de afwikkeling van een arbeidsconflict die resulteerde in een formele ontbinding; verwijzing naar schadestaatprocedure, aannemelijkheid mogelijkheid schade door wanprestatie; verplichting rechter tot nader onderzoek in hoofdzaak?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 612
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 431
RvdW 2006, 681
JWB 2006/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/002HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de stichting STICHTING JURIDISCHE DIENSTVERLENING DRENTHE, handelende onder de naam het Bureau voor Rechtshulp,

gevestigd te Assen,

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. D.M. de Knijff,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk

incidenteel eiser,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 8 november 2002 eiseres tot cassatie - verder te noemen: het Bureau voor Rechtshulp - gedagvaard voor de rechtbank te Assen en gevorderd bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het Bureau voor Rechtshulp te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 79.060,-- plus p.m., te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 1 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van het Bureau voor Rechtshulp in de kosten van dit geding.

Het Bureau voor Rechtshulp heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 29 januari 2003 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 16 juli 2003 de vordering afgewezen en [verweerder] in de proceskosten veroordeeld.

Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Bij memorie van grieven heeft hij zijn eis vermeerderd en gevorderd bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de rechtbank Assen, waarvan te dezen appel is ingesteld te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, in appel de vorderingen van [verweerder] toe te wijzen, met veroordeling van het Bureau voor Rechthulp in de kosten van beide instanties.

Bij arrest van 8 september 2004 heeft het hof [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 29 januari 2003, het eindvonnis van 16 juli 2003 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het Bureau voor Rechtshulp wegens toerekenbare tekortkoming, bestaande in het niet informeren van [verweerder] over zijn WW-rechten, tot vergoeding van de dientengevolge door hem geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, het Bureau voor Rechtshulp veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft het Bureau voor Rechtshulp beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het principale beroep.

De advocaat van het Bureau voor Rechtshulp heeft bij brief van 5 april 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Een medewerker van het Bureau voor Rechtshulp te Assen heeft [verweerder] geadviseerd en bijgestaan in een geschil met zijn werkgever, ACA Retail B.V., welk geschil uiteindelijk heeft geresulteerd in een formele ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, waarbij aan [verweerder] - nadat partijen hierover overeenstemming hadden bereikt - op grond van art. 7:685 lid 8 BW een vergoeding van ƒ 30.000,-- bruto is toegekend, alsmede een vergoeding van ƒ 1.500,-- voor kosten van rechtsbijstand. [Verweerder] bleek achteraf - anders dan hij ten tijde van de ontbindingsprocedure veronderstelde - slechts recht te hebben op een kortdurende WW-uitkering, voor de duur van zes maanden, gebaseerd op het minimumloon, en niet op een loongerelateerde uitkering en vervolguitkering.

(ii) Nadat zes maanden waren verstreken, was [verweerder] aangewezen op een bijstandsuitkering. In verband met de in de Algemene Bijstandswet opgenomen vermogenstoets heeft [verweerder] zijn woonhuis moeten verkopen.

(iii) De verzekeringsmaatschappij van het Bureau voor Rechtshulp, Nationale Nederlanden, heeft bij brief van 2 juli 2002 erkend dat de WW-mogelijkheden van [verweerder] niet vooraf door het Bureau voor Rechtshulp zijn onderzocht én dat het feit dat het Bureau voor Rechtshulp niet nader bij [verweerder] heeft geïnformeerd naar diens arbeidsverleden en derhalve niet heeft berekend voor welke WW-uitkering hij in aanmerking zou komen, kan worden bestempeld als een beroepsfout, doch heeft tevens in dezelfde brief gesteld dat deze beroepsfout niet tot schade aan de zijde van [verweerder] heeft geleid.

3.2 [Verweerder] heeft gevorderd dat het Bureau voor Rechtshulp wordt veroordeeld tot betaling van € 79.060,00 (schade tot en met 2002) plus schade vanaf 1 januari 2003 (als p.m. aangeduid), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad dan wel op toerekenbare tekortkoming.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat niet aannemelijk was geworden dat er een causaal verband bestaat tussen de beroepsfout en de door [verweerder] gestelde schade. [Verweerder] is in de kosten van het geding veroordeeld.

In hoger beroep heeft [verweerder] zijn eis in dier voege vermeerderd dat hij thans ook vergoeding vordert van de sedert 1 januari 2003 door hem geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het Bureau voor Rechtshulp heeft zich tegen deze vermeerdering niet verzet.

Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en het Bureau voor Rechtshulp veroordeeld wegens een toerekenbare tekortkoming, bestaande in het niet informeren van [verweerder] over zijn WW-rechten, tot vergoeding van de dientengevolge door [verweerder] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en heeft voorts het Bureau voor Rechtshulp veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

3.3 Het hof heeft geoordeeld (rov. 7) dat niet duidelijk is geworden of [verweerder] de door hem gestelde schade gelegen ziet in het feit dat hij bij juiste informatie zou hebben aangestuurd op instandhouding van de arbeidsovereenkomst - al of niet met een lager salaris, eventueel aangevuld met een loonvordering -, dan wel in de omstandigheid dat hij bij juiste informatie een hogere billijkheidsvergoeding zou hebben geclaimd en het overwoog dat het derhalve op dat moment niet kon beoordelen of enige schade van [verweerder] in voldoende causaal verband staat met de tekortkoming van de kant van het Bureau voor Rechtshulp. Het hof heeft vervolgens geoordeeld (rov. 8) dat gesteld noch gebleken is dat de tekortkoming niet toerekenbaar is aan het Bureau voor Rechtshulp, zodat een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van het Bureau vaststaat, en dat [verweerder] bovendien de mogelijkheid van enige schade ten gevolge van de tekortkoming voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft het hof geoordeeld dat, waar [verweerder] voor de door hem na 2002 geleden schade reeds verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert, terwijl met betrekking tot het overige deel van zijn schade thans nog volstrekt onduidelijk is welke schadeposten dit betreft en tot welke omvang, het de zaak naar de schadestaatprocedure zal verwijzen, nu eerst indien de schade voldoende is komen vast te staan, over causaliteit en/of eigen schuld kan worden geoordeeld.

3.4 Onderdeel 1 van het principale middel klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 612 Rv. (slechts) erop is gericht in gevallen waarin zowel de gehoudenheid tot schadevergoeding als het verband met en de omvang van de schade worden betwist, het debat voorshands te beperken tot de eerstbedoelde vraag en dat de vraag of en zo ja, in hoeverre, als gevolg van enige toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad schade is geleden pas aan de orde komt in een daaropvolgend afzonderlijk geding. Gegeven de erkenning door het Bureau voor Rechtshulp van zijn toerekenbare tekortkoming, was in het onderhavige geval slechts die laatste vraag in geschil en had het hof uitsluitend daarover een beslissing te geven. Aldus lag in feite aan het hof hetzelfde geschil ter beoordeling voor als in een schadestaatprocedure zou hebben voorgelegen indien de toerekenbare tekortkoming zou zijn betwist en daarover in een hoofdzaak zou zijn beslist. Het hof had daarom in dit geval - gelijk de rechter in een schadestaatprocedure - bedoelde vraag behoren te onderzoeken en had daarop te beslissen. Door in plaats daarvan die vraag naar de schadestaat te verwijzen, zulks met vernietiging van het vonnis en veroordeling van het Bureau voor Rechtshulp in de kosten, heeft het hof art. 612 Rv. geschonden. Onderdeel 2 voegt hieraan toe dat het hof heeft miskend dat het in strijd is met de goede procesorde om partijen naar de schadestaat te verwijzen, wanneer - zoals in dit geding - uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of en in hoeverre schade is geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming.

3.5.1 Bij de beoordeling van deze onderdelen dient te worden vooropgesteld dat aan een beslissing tot verwijzing naar de schadestaatprocedure geen strenge eisen worden gesteld. Art. 612 Rv. bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt.

3.5.2 De beide onderdelen miskennen dat de vraag naar de aansprakelijkheid nog in het geding was, nu het Bureau voor Rechtshulp heeft betwist aansprakelijk te zijn voor de schade die [verweerder] stelt te hebben geleden, omdat het causaal verband zou ontbreken. Het hof heeft in dit verband in rov. 7 geoordeeld dat niet duidelijk is geworden waarin [verweerder] de door hem geleden schade precies gelegen ziet, maar heeft in rov. 8 tevens geoordeeld dat [verweerder] wel de mogelijkheid van enige schade ten gevolge van de wanprestatie voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Met dit oordeel over de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade en het causaal verband en de daarop volgende verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk. De grondslag voor de aansprakelijkheid van het Bureau voor Rechtshulp staat immers vast, de mogelijkheid van schade is door [verweerder] aannemelijk gemaakt en het hof achtte zich niet in staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen. Een verplichting om de zaak op dat punt zelf nader te onderzoeken had het hof - anders dan de onderdelen stellen - niet. Daarom is er ook geen strijd met de goede procesorde.

3.6 Onderdeel 3 klaagt dat het hof art. 353 lid 1 in verbinding met art. 237 lid 1 Rv. heeft geschonden door het Bureau voor Rechtshulp in de kosten te veroordelen terwijl het op het voorliggende geschilpunt geen beslissing heeft gegeven.

3.7 Voorzover het onderdeel op de klachten van de onderdelen 1 en 2 voortbouwt, faalt het op de hiervoor weergegeven gronden. De klacht faalt ook voor het overige. Het hof heeft het Bureau voor Rechtshulp, nu dat bij eindvonnis in het ongelijk is gesteld, terecht in de kosten veroordeeld.

3.8 De in de onderdelen 4, 5 en 6 vervatte klachten gaan alle uit van de vooronderstelling dat het hof ten onrechte de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen en falen eveneens op de hiervoor weergegeven gronden.

3.9 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt het Bureau voor Rechtshulp in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.559,34 in totaal, waarvan € 2.487,34 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 72,-- aan [verweerder].

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 juni 2006.