Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AX3219

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
R05/105HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX3219
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Geschil tussen voormalige echtelieden over de wijziging van de door de man verschuldigde alimentatie; (toekomstige) behoefte van de vrouw, onbegrijpelijk oordeel.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 447
RvdW 2006, 738
JWB 2006/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/105HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. K. Teuben,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

incidenteel verzoeker,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 13 februari 2003 ter griffie van de rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en - na aanvulling van zijn verzoek ter zitting - verzocht:

- primair de bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 1998 aan de man met ingang van 1 april 1998 opgelegde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - van ƒ 1.350,-- per maand, ingevolge de wettelijke indexering verhoogd tot € 728,20 per maand, met ingang van 1 april 1998 nader vast te stellen op nihil, omdat het gerechtshof is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens;

- subsidiair de alimentatieverplichting nader op nihil te stellen wegens gewijzigde omstandigheden;

- meer subsidiair zijn alimentatieverplichting in tijdsduur te beperken en wel tot twee jaren, en

- de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2003:

1. de beschikkingen van deze rechtbank van 22 september en van 22 december 1998, bekrachtigd door het gerechtshof te Arnhem bij beschikking van 18 mei 1999, in die zin gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voor de periode 1 april 1997 tot 1 januari 1999 nader wordt gesteld op ƒ 1.028,25 per maand en over de periode van 1 januari 1999 tot 1 december 1999 nader wordt gesteld op ƒ 1.062,18 per maand;

2. bepaald dat de vrouw het bedrag dat zij teveel aan alimentatie heeft ontvangen, te weten ƒ 6.551,82 (€ 2.973,09), aan de man dient terug te betalen, met dien verstande dat het de vrouw is toegestaan voormeld bedrag te voldoen aan de man in maandelijkse termijnen van € 50,-- en wel met ingang van 1 december 2003;

3. deze beschikking tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

4. de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en

5. het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft de man het hof verzocht die beschikking bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, primair te vernietigen en zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 april 1998 op nihil te stellen, primair onder restitutie van het teveel betaalde, subsidiair onder vaststelling dat hetgeen de man heeft betaald niet behoeft te worden gerestitueerd, en subsidiair indien en voor zover het hof van mening is dat het primair gestelde niet leidt tot een wijziging in de alimentatieverplichting (zo begrijpt het hof) dat het hof zal bepalen dat de vrouw wegens wijziging van omstandigheden geen behoefte heeft aan aanvullende alimentatie, daar de vrouw over zodanig vermogen dan wel inkomen beschikt om volledig in haar eigen behoefte te voorzien.

De vrouw heeft het verzoek van de man in hoger beroep bestreden.

Bij tussenbeschikking van 13 juli 2004 heeft het hof, alvorens verder te beslissen, de vrouw verzocht binnen vier weken na heden in het geding te brengen (i) een opgave van haar inkomsten uit pedicurewerkzaamheden en de daarmee samenhangende kosten, (ii) stukken met betrekking tot de vergoeding die zij wegens beëindiging van haar dienstverband bij Fokus in december 1999 heeft ontvangen en de daarmee samenhangende pensioenvoorziening en (iii) stukken met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder, een en ander met kopie aan de wederpartij. Bij tussenbeschikking van 4 januari 2005 heeft het hof de vrouw verzocht de volledige aangifte successie inzake de nalatenschap van haar ouders in het geding te brengen alsmede haar aangifte inkomstenbelasting over 2003 en zo mogelijk de aanslag over dat jaar.

Het hof heeft bij eindbeschikking van 3 mei 2005 de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 8 december 2003 vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende:

- de beschikkingen van de rechtbank te Arnhem van 22 september 1998 en van 22 december 1998, bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 18 mei 1999, in die zin gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van:

- 1 april 1998 tot 1 januari 1999 nader wordt vastgesteld op € 140,-- per maand;

- 1 januari 1999 tot 1 december 1999 nader wordt vastgesteld op € 155,-- per maand;

- 1 december 1999 tot 1 januari 2000 nader wordt vastgesteld op € 280,-- per maand;

- 1 januari 2000 nader wordt vastgesteld op € 30,-- per maand;

- 1 januari 2001 nader wordt vastgesteld op € 50,-- per maand;

- 1 januari 2002 nader wordt vastgesteld op € 75,-- per maand;

- 1 januari 2003 nader wordt vastgesteld op € 100,-- per maand en

- 1 januari 2004 nader wordt vastgesteld op nihil;

- deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- bepaald dat hetgeen de vrouw teveel aan alimentatie heeft ontvangen binnen een maand na heden aan de man dient terug te betalen, en

- het meer of anders verzochte afgewezen.

De drie vermelde beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de eindbeschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft tegen de beschikkingen van 13 juli 2004 en 3 mei 2005 incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt in het principaal beroep tot vernietiging van de eindbeschikking van het hof en in het incidenteel beroep tot verwerping van dat beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Partijen zijn op 7 augustus 1973 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 18 november 1993, op 28 maart 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De rechtbank heeft bepaald dat de man als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 28 maart 1994 f 800,-- per maand zal voldoen. Het gerechtshof heeft bij beschikking van 26 april 1994 de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bekrachtigd, met dien verstande dat deze bijdrage werd vastgesteld voor een termijn van vier jaar na 28 maart 1994.

3.2Bij beschikking van de rechtbank van 22 december 1998 is de beschikking van 26 april 1994 op verzoek van de vrouw gewijzigd in die zin dat de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 april 1998 nader is gesteld op ƒ 1.350,-- (€ 612,60) per maand. Het hof heeft op 18 mei 1999 de beschikking van de rechtbank van 22 december 1998 bekrachtigd. De bijdrage bedroeg in 2003 ingevolge de wettelijke indexering € 728,20 per maand en met ingang van 1 januari 2004 € 746,40 per maand.

3.3.1 De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2003 de beschikking van 22 december 1998 gewijzigd en de bijdrage voor de periode van 1 april 1998 tot 1 januari 1999 nader vastgesteld op ƒ 1.028,25 per maand, alsmede bepaald dat de vrouw het bedrag dat zij teveel aan alimentatie heeft ontvangen, te weten ƒ 6.551,82 (€ 2,973,09) aan de man dient terug te betalen in maandelijkse termijnen van € 50,-- met ingang van 1 december 2003.

3.3.2 In hoger beroep heeft de man het hof verzocht die beschikking primair te vernietigen en zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 april 1998 op nihil te stellen, primair onder restitutie van het teveel betaalde, subsidiair onder vaststelling dat hetgeen de man heeft betaald niet behoeft te worden gerestitueerd. Subsidiair heeft de man verzocht indien en voorzover het hof van mening is dat het primair gestelde niet leidt tot een wijziging in de alimentatieverplichting, te bepalen dat de vrouw wegens een wijziging van omstandigheden geen behoefte heeft aan aanvullende alimentatie, daar de vrouw over zodanig vermogen dan wel inkomen beschikt dat zij volledig in haar eigen behoefte kan voorzien.

3.3.3 Het hof heeft, na twee tussenbeschikkingen te hebben gegeven, de beschikking van de rechtbank van 8 december 2003 vernietigd en heeft inzoverre opnieuw beschikt als hiervoor in 1 vermeld.

3.3.4 Het hof heeft in zijn eindbeschikking overwogen dat de ontslagvergoeding voor de vrouw vanwege de beëindiging van haar dienstverband geen f 20.000,-- heeft bedragen, zoals de vrouw aanvankelijk tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, maar f 40.000,--. De vrouw heeft deze vergoeding aangewend voor het afsluiten van een lijfrenteverzekering; dit terwijl zij in 1997 reeds drie koopsompolissen ten behoeve van haar pensioenvoorziening heeft afgesloten. Het hof heeft geoordeeld het redelijk te achten vanaf 1 januari 2000 (immers in december 1999 is de vergoeding ontvangen) gedurende 5 jaar rekening te houden met een bedrag van € 200,-- netto per maand dat de vrouw, na aftrek van over de vergoeding van f 40.000,-- per saldo te betalen belasting, had kunnen aanwenden om de daling van haar inkomen op te vangen en zal dit bedrag op haar behoefte in mindering brengen. Wat de toekomstige behoefte van de vrouw betreft zal dan de uitkering van de lijfrentepolis die met ingang van 1 juli 2005 vrijvalt met € 3.657,50 per jaar buiten beschouwing moeten worden gelaten (rov. 2.4). Het hof heeft de bruto behoefte van de vrouw per maand gesteld op:

- van 1 april 1998 tot 1 januari 1999 op € 140,--;

- 1 januari 1999 tot 1 december 1999 op € 155,--;

- 1 december 1999 tot 1 januari 2000 op € 280,--;

- in 2000 op: € 30,--;

- in 2001 op: € 50,--;

- in 2002 op: € 75,--;

- in 2003 op: € 100,--;

en met ingang van 1 januari 2004 op nihil (rov. 2.7).

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het middel, gericht tegen voormelde rov. 2.7 voor zover het hof aldaar (impliciet) heeft geoordeeld dat de behoefte van de vrouw (ook) vanaf 1 januari 2005 nihil bedraagt, klaagt onder meer dat het hof bij de herberekening van de behoefte van de vrouw over het hoofd heeft gezien dat het de door de vrouw in 1999 ontvangen ontbindingsvergoeding slechts voor een periode van vijf jaar op haar behoefte in mindering zou brengen.

4.2 De klacht treft doel. Het hof, oordelend dat de behoefte van de vrouw (ook) vanaf 1 januari 2005 nihil bedraagt, heeft daarbij over het hoofd gezien dat de in rov. 2.4 van de eindbeschikking genoemde vijfjaarstermijn met ingang van 1 januari 2005 is verstreken en dat de behoefte van de vrouw per die datum weer aanwezig kan zijn. Nu uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid dat het van oordeel was dat de vrouw in de periode na 1 januari 2005 geen behoefte had aan het over de periode daarvóór op de behoefte in mindering gebrachte bedrag van € 200,-- per maand, is het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De overige klachten behoeven geen behandeling.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 3 mei 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.