Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW6598

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
C04/209HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW6598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen (erfgenamen van) de eigenaar van een dienend erf en eigenaren van de heersende erven – tezamen een voormalige boerderij met schuren, binnenplaats en weiland – over de uitleg van een in 1978 gevestigde erfdienstbaarheid van weg over de binnenplaats van het dienende erf en over de afgifte van de sleutel van het hek dat deze binnenplaats afsluit van de openbare weg; uitlegmaatstaf erfdienstbaarheid; strekking art. 5:48 BW, onbelemmerde toegang tot dienend erf; HR doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 398
NJ 2006, 352
RvdW 2006, 648
JWB 2006/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/209HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1],

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

a. [Eiser 1a],

wonende te [woonplaats],

b. [Eiser 1b],

wonende te Ulestraten, gemeente [woonplaats],

c. [Eiseres 1c],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

incidenteel verweerders,

advocaat: aanvankelijk mr. G.C. Makkink, thans mr. D.M. de Knijff,

t e g e n

1. COÖPERATIEVE BOUWVERENIGING "ONS BELANG" B.A.,

gevestigd te Maastricht,

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie, incidenteel eisers,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Betrokkene 1], wonende te [woonplaats], en eiseres tot cassatie sub 2 - verder afzonderlijk te noemen: [betrokkene 1] en [eiseres 2] - hebben bij exploot van 11 oktober 1996 verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: Ons Belang en [verweerder 2] - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht en gevorderd bij vonnis, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat er géén erfdienstbaarheid van weg rust ten laste van en op het perceel [a-straat 1b] en ten gunste van het perceel [a-straat 1a] te [plaats];

2. te verklaren voor recht dat de door [eiseres 2] aangewezen noodweg over haar perceel [a-straat 1b], zoals met groen gemarkeerd op de bij eis overgelegde situatieschets, voldoet aan de in artikel 5:57 BW gestelde eisen;

3. te verklaren voor recht dat er géén erfdienstbaarheid van weg rust op en ten laste van het perceel [a-straat 1] en ten gunste van het perceel [a-straat 1a], behalve ten aanzien van de bestaande inrit die ter plaatse is afgepaald en een breedte heeft bij de openbare weg van circa 2.95 meter, taps toelopend naar achteren en achteraan een breedte heeft van circa 1.00 meter;

4. waardeloos te verklaren de inschrijving in de Openbare Registers als bedoeld in artikel 3:16 BW, en als bevolen in het dictum van het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 maart 1996, gewezen in hoger beroep in kort geding tussen [betrokkene 1] en [eiseres 2] enerzijds en anderzijds [betrokkene 2], en de doorhaling van die inschrijving te bevelen;

5. [verweerder 2] te veroordelen tot afgifte aan [betrokkene 1] van de sleutel van het grote ijzeren hek dat de grote binnenplaats afsluit van de openbare weg;

6. Ons Belang te veroordelen tot afbraak van de schoorsteen, voorzover deze zich bevindt boven het perceel van [eiseres 2] en de muur en het dak van het pand van [eiseres 2] deugdelijk te herstellen;

7. [verweerder 2] te veroordelen de in punt 6 van de dagvaarding omschreven werkzaamheden te gehengen en te gedogen;

8. Ons Belang en [verweerder 2] te gebieden zich te onthouden van gedragingen, waardoor het eigendomsrecht van [betrokkene 1] of van [eiseres 2] wordt geschonden;

9. te bepalen dat de gedaagde die het gebod sub 8 overtreedt en [verweerder 2], indien deze de veroordeling sub 5 en 7 overtreedt, alsmede Ons Belang, indien deze de veroordeling sub 6 overtreedt, per dag een dwangsom verbeurt van ƒ 1.000,-- voor iedere dag dat, na betekening van het in deze te wijzen vonnis de betreffende overtreding voortduurt dan wel in gebreke wordt gebleven met de afgifte van de sleutel;

10. Ons Belang en [verweerder 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Ons Belang en [verweerder 2] hebben de vorderingen bestreden en in reconventie na wijziging van eis gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat een erfdienstbaarheid van weg, breed 2.50 meter, rust ten gunste van het perceel [a-straat 1a] te [plaats], en ten laste van de percelen [a-straat 1] en [1b] te [plaats], met veroordeling van [betrokkene 1] en [eiseres 2] in de kosten van het geding.

[Betrokkene 1] en [eiseres 2] hebben de vordering in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 30 juli 1998 in conventie en in reconventie een gerechtelijke plaatsopneming bevolen en [betrokkene 1] en [eiseres 2] tot bewijslevering toegelaten.

Tegen het tussenvonnis hebben [betrokkene 1] en [eiseres 2] bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft bij arrest van 19 september 2000 het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en met verbetering van gronden, bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening en beslissing naar de rechtbank te Maastricht verwezen.

Na gehouden descente en getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 14 maart 2002:

in conventie:

1. voor recht verklaard dat er geen erfdienstbaarheid van weg rust op en ten laste van het perceel [a-straat 1] en ten gunste van perceel [1a], behalve ten aanzien van de bestaande inrit die ter plaatse is afgepaald en een breedte heeft bij de openbare weg van circa 2.95 meter, taps toelopend naar achteren en achteraan een breedte heeft van circa 1.00 meter;

2. waardeloos verklaard de inschrijving in de Openbare Registers als bedoeld in artikel 3:16 BW en als bevolen in het dictum van het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 maart 1996, gewezen in hoger beroep in kort geding tussen [betrokkene 1] en [eiseres 2] enerzijds en [betrokkene 2] voornoemd anderzijds, en de doorhaling van die inschrijving bevolen;

3. [verweerder 2] veroordeeld tot afgifte aan [betrokkene 1] van de sleutel van het grote ijzeren hek dat de grote binnenplaats afsluit van de openbare weg;

4. Ons Belang veroordeeld tot afbraak van de schoorsteen, voor zover deze zich bevindt boven het perceel van [eiseres 2] en tot deugdelijk herstel van het dak van het pand van [eiseres 2];

5. [verweerder 2] veroordeeld de in punt 4 genoemde werkzaamheden te gehengen en te gedogen;

6. Ons Belang en [verweerder 2] geboden zich te onthouden van gedragingen waardoor het eigendomsrecht van [betrokkene 1] of [eiseres 2] wordt geschonden;

7. bepaald dat de gedaagde die het gebod sub 6 overtreedt en [verweerder 2], indien deze de veroordeling sub 3 en 5 overtreedt, alsmede Ons Belang, indien deze de veroordeling sub 4 overtreedt, per dag een dwangsom verbeurt van € 50,-- voor iedere dag dat, na 28 dagen na betekening van dit vonnis, de betreffende overtreding voortduurt dan wel in gebreke wordt gebleven met de afgifte van de sleutel, tot een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 25.000,-;

8. Ons Belang en [verweerder 2] veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [betrokkene 1] en [eiseres 2];

9. dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

10. het meer of anders gevorderde afgewezen.

in reconventie:

- het gevorderde afgewezen, en

- Ons Belang en [verweerder 2] veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [betrokkene 1] en [eiseres 2].

Tegen de vonnissen van 30 juli 1998 en 14 maart 2002 hebben Ons Belang en [verweerder 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 30 maart 2004 heeft het hof:

- het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 14 maart 2002 bekrachtigd, voor zover het betreft het dictum in conventie onder 3.3, 3.4, 3.5, 3.6 en 3.7;

- het vonnis voor het overige vernietigd en, opnieuw rechtdoende:

- voor recht verklaard dat ten gunste van het perceel [a-straat 1a] en ten laste van perceel [a-straat 1] een erfdienstbaarheid van weg bestaat over een strook weg met een minimale breedte van 2.50 meter van voor naar achter;

- [betrokkene 1] en [eiseres 2] veroordeeld voor wat betreft de eerste aanleg in 3/4 van de kosten aan de zijde van Ons Belang en [verweerder 2];

- [betrokkene 1] en [eiseres 2] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Ons Belang en [verweerder 2];

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben eisers tot cassatie - verder te noemen: de erven [betrokkene 1] en [eiseres 2] - beroep in cassatie ingesteld. Ons Belang en [verweerder 2] hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidentaal beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt:

in het principale beroep:

- tot verwerping van het beroep.

in het incidentele beroep:

- tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor zover het hof het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 14 maart 2002 heeft bekrachtigd voor zover het betreft het dictum in conventie onder 3.3, en tot afdoening in voege als onder 21 van deze conclusie is vermeld.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1.1 De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 14 maart 2002 in conventie [verweerder 2] veroordeeld tot afgifte aan [betrokkene 1] van de sleutel van het grote ijzeren hek dat de grote binnenplaats afsluit van de openbare weg (punt 3 van het dictum).

4.1.2 Het hof heeft bij het bestreden arrest onder meer dit onderdeel van dat vonnis bekrachtigd. Daartegen keert zich het middel. In onderdeel 1.1 wordt, zakelijk samengevat, geklaagd dat die bekrachtiging rechtens onjuist want onverenigbaar is met de door het hof gegeven verklaring voor recht dat sprake is van een erfdienstbaarheid van weg met een minimale breedte van 2,50 meter van voor naar achter. De bekrachtigde veroordeling tot afgifte van de sleutel aan [betrokkene 1] betekent volgens het middel een onredelijke bemoeilijking van de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt in te zien waarom [verweerder 2], iedere keer dat hij zijn recht van erfdienstbaarheid wil uitoefenen afhankelijk zou moeten zijn van de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] omdat hij niet over de sleutel van de grote poort beschikt.

4.2.1 Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Art. 5:48 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf bevoegd is dit af te sluiten. Deze bevoegdheid bestaat ook ingeval dat erf belast is met een erfdienstbaarheid van weg. Maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan dient hij ervoor te zorgen dat de eigenaar van het heersend erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf teneinde de erfdienstbaarheid uit te oefenen. In de regel zal dit betekenen dat de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid biedt zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf, de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid. In concreto betekent dit in een geval als het onderhavige, waarin het dienend erf met een hek is afgesloten, dat de eigenaar van het dienend erf aan de eigenaar van het heersend erf permanent een sleutel ter beschikking stelt waarmee, tot het zojuist genoemde doel, het hek kan worden geopend.

4.2.2 In overeenstemming hiermee overweegt het hof in rov. 4.3.7 dat [betrokkene 1] ervoor dient te zorgen dat [verweerder 2] met zijn auto van zijn woning naar de openbare weg en vice versa kan gaan en daartoe [verweerder 2] allereerst - met de auto - zal moeten toelaten tot de weg waarop de erfdienstbaarheid rust, dat dit meebrengt dat [betrokkene 1] het grote ijzeren hek ten behoeve van [verweerder 2] zal moeten ontsluiten en vervolgens zal moeten toestaan dat [verweerder 2] met de auto over het perceel van [betrokkene 1] rijdt.

4.2.3 Dit laatste moet, gelet op wat hiervoor in 4.2.1 is overwogen, aldus worden begrepen dat ook naar 's hofs oordeel [verweerder 2] er aanspraak op kan maken dat [betrokkene 1] hem permanent een sleutel van genoemd hek ter beschikking stelt. Aangenomen moet daarom worden dat het hof bij vergissing de veroordeling van [verweerder 2] tot afgifte van de sleutel aan [betrokkene 1] heeft bekrachtigd, in plaats van ook op dit punt het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de daartoe strekkende vordering van [betrokkene 1] alsnog af te wijzen. Het middel slaagt in zoverre zodat het bestreden arrest op dit punt niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [betrokkene 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde

van [verweerder 2] begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 maart 2004, doch uitsluitend voor zover het hof het dictum in conventie onder 3 van het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 14 maart 2002 heeft bekrachtigd, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, vernietigt dat vonnis in zoverre, wijst de vordering van [betrokkene 1] tot afgifte van de sleutel van het grote ijzeren hek dat de grote binnenplaats afsluit van de openbare weg, af;

veroordeelt [betrokkene 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 2] begroot op € 45,38 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 juni 2006.