Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW6217

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
R05/123HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW6217
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over wijziging van partneralimentatie die bij echtscheidingsuitspraak overeenkomstig een echtscheidingsconvenant is vastgesteld; beding van niet-wijziging, derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:159 lid 3 BW (vervroegde pensionering na verslechterde arbeidsverhouding), maatstaf, aan stelplicht verzoeker en rechterlijke motivering te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SJP 2006/188
JOL 2006, 497
NJ 2006, 491
RvdW 2006, 792
EB 2006, 73
JWB 2006/277

Uitspraak

8 september 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/123HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. L. van Hoppe.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 20 oktober 2003 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 8 april 1993 in dier voege te wijzigen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 1 oktober 2003 op € 356,-- per maand wordt vastgesteld en de partneralimentatie te limiteren tot vijftien jaar na de echtscheiding.

De vrouw heeft de verzoeken van de man bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 29 september 2004 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek zowel ten aanzien van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw als ten aanzien van de limitering van de partneralimentatie.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 16 juni 2005 heeft het hof de bestreden beschikking waarvan beroep vernietigd, het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 8 april 1993 aldus gewijzigd dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 2003 wordt bepaald op € 1.200,-- per maand.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, met verwijzing als gebruikelijk, en met compensatie van kosten.

De advocaat van de man heeft bij brief van 8 mei 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1968 gehuwd. Het huwelijk is op 28 mei 1993 ontbonden door echtscheiding.

(ii) Bij in maart 1993 ondertekend echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen.

"artikel 2:

Bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw:

2.1. De man heeft een bruto jaarinkomen van ca. F 120.000,-, excl. overhevelingstoeslag en inclusief vakantietoeslag.

Uitgaande van dit inkomen zijn partijen de volgende alimentatie ten behoeve van de vrouw en ten laste van de man overeengekomen:

(...)

d. wanneer de man geen bijdrage meer voor één van beide kinderen, als genoemd onder artikel 1, hoeft te voldoen zal de man aan de vrouw als bijdrage voldoen een bedrag van ƒ 4.500,- per maand.

(...)

2.5. De genoemde alimentatiebedragen kunnen niet bij rechterlijke uitspraken gewijzigd worden, behoudens een ingrijpende wijziging van omstandigheden als genoemd in art. 1:159 lid 3 B.W. (...)"

(iii) In het echtscheidingsvonnis van de rechtbank te Zutphen van 8 april 1993 is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw overeenkomstig dit convenant vastgesteld. Ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift in deze zaak bedroeg deze uitkering na verhoging op grond van de wettelijke indexering € 2.649,- per maand.

(iv) De man, geboren op [geboortedatum] 1945, was ten tijde van de echtscheidingsprocedure 23 jaar in dienst bij uitgeverij Terra. Op grond van een overeenkomst met die werkgever is hij met ingang van 1 augustus 2003 met 'vroegpensioen' gegaan. Hij ontvangt aldus van zijn 58e tot zijn 65e jaar een vroegpensioenuitkering van € 34.034,-- bruto per jaar. Hij exploiteert daarnaast sinds 1 september 2003 een uitgeverij in de vorm van een eenmanszaak.

(v) De man heeft de hem voorheen toekomende woning in [plaats] verkocht voor € 229.000,--. De hypothecaire lening op die woning bedroeg in hoofdsom € 221.000,--. De netto-opbrengst heeft de man geheel aan de vrouw betaald in mindering op achterstallige alimentatie.

3.2 Aan zijn hiervoor onder 1 vermelde verzoek tot wijziging van het bedrag van de door hem verschuldigde alimentatie heeft de man de stelling ten grondslag gelegd dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging in de omstandigheden dat hij, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet langer aan het in het convenant opgenomen beding van niet-wijziging mag worden gehouden. Die wijziging van omstandigheden bestaat volgens de man, kort gezegd, hierin dat hij zich, als gevolg van een verslechtering van de werkrelatie met de directeur van Terra, genoodzaakt heeft gezien zijn werkzaamheden bij dat bedrijf te beëindigen en ermee in te stemmen dat zijn vroegpensioen twee jaar eerder zou ingaan dan zijn 60e levensjaar, zoals oorspronkelijk voorzien. Als gevolg daarvan is hij in inkomen achteruitgegaan van (omgerekend) € 54.454,-- ten tijde van het convenant naar € 34.034,-- per jaar, welke situatie partijen bij het sluiten van het convenant niet voor ogen hadden.

De rechtbank heeft de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft het verzoek alsnog in zoverre toegewezen dat het de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 2003 heeft bepaald op € 1.200,-- per maand.

Het heeft vooropgesteld dat van een ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:159 lid 3 BW sprake is, wanneer een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen bij het sluiten van overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan (rov. 4.1). Het is tot het oordeel gekomen dat daarvan in dit geval sprake is. Het overwoog daartoe (in rov. 4.4):

"Het hof acht op grond van de stellingen van de man en de dienaangaande door hem overgelegde stukken voldoende aannemelijk geworden dat zijn arbeidsomstandigheden na het aantreden van de nieuwe directeur zijn gewijzigd en zodanig onprettig waren geworden dat er een situatie is ontstaan die afweek van de situatie die partijen ten tijde van het sluiten van hun echtscheidingsconvenant - de man werkte toen al 23 jaar voor zijn voormalig werkgever - voor ogen stond. De man heeft tengevolge van deze verslechterde arbeidsverhouding, omdat hij uiteindelijk geen andere uitweg meer zag, besloten akkoord te gaan met het voorstel van zijn werkgever om met ingang van 1 augustus 2003 met "vroegpensioen" te gaan.

De feitelijke situatie is thans zodanig dat onverkorte handhaving van het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant met zich zou brengen dat de man meer alimentatie zou moeten betalen dan hij aan inkomsten genereert. Zulks terwijl hij geen vermogen heeft. Hij heeft immers zijn woning in [plaats] verkocht en de overwaarde aan achterstallige alimentatie besteed. Een en ander brengt met zich dat er naar het oordeel van het hof sprake is van een zodanige wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden en dat van hem niet langer kan worden verwacht dat hij de daarin overeengekomen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betaalt."

3.3.1 De onderdelen 2.1-2.4 klagen dat het hof aldus onvoldoende zware eisen heeft gesteld aan de stelplicht van de man en voorts zijn beslissing, in het licht van het ingrijpende karakter daarvan, ontoereikend heeft gemotiveerd, door zich (goeddeels) te beperken tot een summier onderzoek naar de feitelijke financiële omstandigheden van het moment, zonder (voldoende) aandacht te geven aan andere relevante omstandigheden, zoals de vraag of de vrouw bij het tot stand komen van het convenant heeft begrepen en mogen begrijpen dat de man de mogelijkheid dat hij werkloos zou worden al dan niet voor zijn risico nam, zeker nu het gaat om niet meer dan vervroeging van zijn pensionering met enkele jaren, de stelling van de vrouw dat de man in het kader van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst niet genoegen had moeten nemen met 'vervroegde pensionering' en verder niets, de vraag voor wiens risico moet komen dat de man geen aanspraak op een ontbindingsvergoeding volgens de 'kantonrechtersformule' heeft gemaakt en het standpunt van de vrouw dat de man gedurende vijf jaar aanspraak had kunnen maken op een loongerelateerde WW-uitkering als hij niet akkoord was gegaan met zijn ontslag, respectievelijk vervroegde pensionering en de vraag voor wiens risico moet komen dat de man zich tegen dat ontslag niet heeft verzet.

3.3.2 Bij het onderzoek of zich een wijziging van de aard als bedoeld in art. 1:159 lid 3 BW heeft voorgedaan, kan weliswaar van belang zijn of ten tijde van de uitspraak op het verzoek een 'wanverhouding' bestaat als door het hof aanwezig geacht, doch daarbij zal het erop aankomen of zulks een gevolg is van een voor de toepassing van art. 159 lid 3 voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden, terwijl voorts in aanmerking zal moeten worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad (vgl. HR 12 oktober 1984, nr. 6717, NJ 1985, 114). In een procedure waarin in weerwil van een beding als bedoeld in art. 1:159 lid 3 wijziging van de overeengekomen bijdrage wordt verzocht, moeten zware eisen worden gesteld zowel aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt als aan de motivering door de rechter die de ingrijpende beslissing neemt dat deze partij niet langer kan worden gehouden aan een overeenkomst waarvan zij nu juist in een uitdrukkelijk beding had aanvaard dat deze niet voor wijziging vatbaar was, met als mogelijk bijkomend gevolg dat door deze beslissing eventuele bij diezelfde overeenkomst getroffen regelingen betreffende andere financiële gevolgen van de echtscheiding eveneens op losse schroeven komen te staan (HR 30 januari 1998, nr. 9032, NJ 1998, 349). In het licht van hetgeen de vrouw te dien aanzien heeft aangevoerd heeft het hof daarom hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang door:

(a) zich niet te begeven in de vraag of de vrouw bij het tot stand komen van de echtscheidingsovereenkomst heeft begrepen en heeft mogen begrijpen dat de man de mogelijkheid dat hij werkloos zou worden, dan wel vervroegd zou worden gepensioneerd, voor zijn risico nam;

(b) zich niet te begeven in de vraag in hoeverre de wijze waarop de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst van de man geheel of ten dele aan zijn eigen gedragingen is te wijten of anderszins voor zijn risico moet komen;

(c) evenmin te onderzoeken welke samenhang bestond tussen de overeengekomen alimentatie en de overige voorzieningen in de echtscheidingsovereenkomst met betrekking tot de financiële gevolgen van de echtscheiding en wat van die samenhang de consequenties zijn;

(d) geen blijk te geven acht te hebben geslagen op de omstandigheid dat de man na zijn ontslag heeft verkozen zelfstandig ondernemer te worden met de gevolgen die daarvan konden worden verwacht met betrekking tot de onzekerheid van zijn inkomen.

De op het voorgaande gerichte klachten treffen dus doel. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 16 juni 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 8 september 2006.