Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW3584

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
01804/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW3584
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AT2529
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Uitleg tenlastelegging door hof. 2. Giften of beloften ex art. 177 Sr. 3. Verbeterde lezing door HR van misslag in bewezenverklaring. Ad 1. Uit de gedingstukken volgt dat de bank een deugdelijk namens de provincie ondertekende schriftelijke overeenkomst verlangde. Het hof heeft de tenlastelegging onder 1 kennelijk aldus verstaan dat aan verdachte is verweten dat hij met zijn mededader Y valselijk een zodanige overeenkomst heeft opgesteld, waarbij dit stuk door zijn mededader is ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor die van de CvdK, terwijl in werkelijkheid de desbetreffende partijen niet een dergelijke, schriftelijk door partijen vastgelegde overeenkomst van de desbetreffende inhoud hadden gesloten en ondertekend. Deze niet met de bewoordigen van de tenlastelegging in strijd zijnde uitleg daarvan door het hof dient in cassatie te worden geëerbiedigd. Ad. 2 Vooropgesteld moet worden dat art. 177 Sr in een geval als i.c. niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (HR LJN AT8318). Onjuist noch onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dat in een stituatie waarin in een zekere periode een ambtenaar een aantal giften of beloften is gedaan en deze in dezelfde periode in een aantal gevallen heeft gehandeld i.s.m. zijn ambtsplicht, zoals i.c., het niet noodzakelijk is dat één op één een verband wordt aangetoond tussen een specifieke gift of belofte en een specifiek handelen i.s.m. de ambtsplicht. ’s Hofs oordeel dat de in de bewezenverklaring genoemde bedragen giften waren ex art. 177 Sr is in aanmerking genomen de gebezigde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van Y en Z, niet onbegrijpelijk. Het kan in cassatie niet verder worden getoetst. Ad. 3 Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat de in de bewezenverklaring bedoelde belofte is gedaan met het bewezenverklaarde oogmerk. De HR leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft dit niet tot cassatie te leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2006, 380
JOL 2006, 392
RvdW 2006, 692
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2006

Strafkamer

nr. 01804/05

AG/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 maart 2005, nummer 21/006109-03, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 12 december 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "medeplegen van valsheid in geschrift", 2. "opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en 3. "een ambtenaar een gift of belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsubsidiair 120 dagen hechtenis, en tot een geldboete van € 5.000,-, te betalen in termijnen een en ander als in het arrest vermeld, subsidiair 100 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H.J.G van Voorthuizen, advocaat te Ede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid omdat de bewijsmiddelen niets inhouden waaruit kan volgen dat de in de bewezenverklaring bedoelde overeenkomst naar inhoud en strekking afwijkt van hetgeen kennelijk tussen de in de bewezenverklaring bedoelde partijen reeds was overeengekomen.

3.2. Het Hof heeft voorzover hier van belang overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij:

"op of omstreeks 23 juni 2000 te Oosterbeek, in de gemeente Renkum, tezamen en in vereniging met een ander, een op 23 juni 2000 gedateerde overeenkomst tussen de provincie Gelderland enerzijds en [A] B.V. anderzijds, waarbij de in die overeenkomst als opdrachtnemer aangeduide partij, te weten [A] B.V., zich bereid verklaarde de bij haar aangesloten arbeidskrachten aan de provincie uit te lenen ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in het kader van de uitvoering van opdrachten welke de provincie wenste uit te voeren, zulks onder de voorwaarden als nader in die overeenkomst door partijen omschreven, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid voormelde overeenkomst als zodanig op te stellen, terwijl een dergelijke overeenkomst toen tussen voormelde partijen niet was gesloten of aangegaan, en die overeenkomst te ondertekenen met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de Commissaris van de Koningin in de provincie Gelderland."

3.3. Het Hof heeft het in de tenlastelegging aan de verdachte gemaakte verwijt tegen de achtergrond van het dossier klaarblijkelijk als volgt uitgelegd. Uit de stukken van het geding, met name ook uit hetgeen is opgenomen in de gebezigde bewijsmiddelen 3 en 8, volgt dat de ABN AMRO bank "een stuk afkomstig van de provincie" wilde hebben, waarmee kennelijk is bedoeld een schriftelijk vastgelegde en deugdelijk namens de provincie ondertekende overeenkomst. Uit laatstgenoemd bewijsmiddel volgt immers dat de in de toelichting bedoelde brief van eerdere datum, ook wel aangeduid als de "aankondigingsbrief", die door een medeverdachte, [medeverdachte 1], was geschreven, voor de bank niet voldoende was. Gelet daarop heeft het Hof de tenlastelegging kennelijk aldus verstaan dat aan de verdachte is verweten dat hij samen met zijn mededader [betrokkene 2] valselijk een zodanige schriftelijke overeenkomst heeft opgesteld, waarbij dit stuk door zijn mededader is ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor die van de Commissaris van de Koningin, terwijl in werkelijkheid de desbetreffende partijen niet een dergelijke, schriftelijk door partijen vastgelegde, overeenkomst van de desbetreffende inhoud hadden gesloten en ondertekend.

3.4. Deze niet met de bewoordigen van de tenlastelegging in strijd zijnde uitleg door het Hof dient in cassatie te worden geëerbiedigd.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het zesde middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het onder 3 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Met name wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat er sprake is geweest van giften en een belofte die met het bedoelde oogmerk zijn gedaan en evenmin dat sprake is geweest van een verband tussen die giften of belofte en bepaald handelen van [betrokkene 2].

4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte als feit 3 bewezen verklaard dat hij:

"hij op tijdstippen in de periode van september 1999 tot en met maart 2001, te Oosterbeek, in de gemeente Renkum, en/of te Arnhem, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk een ambtenaar -te weten [betrokkene 2] -, in dienst van de provincie Gelderland, een gift of belofte heeft gedaan met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten,

hij, verdachte, heeft [betrokkene 2] voornoemd in voormelde periode de volgende giften gedaan:

- in of omstreeks de maand juni 2000 een geldbedrag groot fl. 4.070,--,

- in of omstreeks de maand september 2000 een geldbedrag groot fl. 29.368,-

- in of omstreeks de maand februari 2001 het onbeperkt en onbelast gebruik van een personenauto, merk BMW, en

hij, verdachte, heeft in voormelde periode na te noemen belofte aan die [betrokkene 2] gedaan:

- in of omstreeks de periode van september 1999 tot en met januari 2001 de toezegging van een maandsalaris groot fl. 15.000,--,

zijnde die gift of belofte telkens gedaan met het oogmerk om die [betrokkene 2] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en iets na te laten, te weten het in het kader van het evenementenbeleid van de Provincie Gelderland in relatie tot hem, verdachte, of [A] BV anders te handelen dan die [betrokkene 2], op basis van objectieve gronden, zou behoren te doen."

4.3. Voor wat betreft de hiervoor genoemde klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige ziet art. 177 Sr niet alleen op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (vgl. HR 27 september 2005, LJN AT8318). Het Hof heeft in een nadere bewijsoverweging overwogen hetgeen in de toelichting op het middel onder 7 is vermeld. Gelet op het voorgaande geeft 's Hofs oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De derde klacht faalt dus.

4.4. Het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring genoemde bedragen giften waren in de zin van art. 177 Sr is, in aanmerking genomen de gebezigde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4], niet onbegrijpelijk. Het kan in cassatie niet verder worden getoetst. De eerste klacht faalt dus.

4.5. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan echter niet zonder meer volgen dat de in de bewezenverklaring bedoelde belofte is gedaan met het bewezenverklaarde oogmerk. De Hoge Raad neemt aan dat het betreffende onderdeel van de tenlastelegging als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs misslag niet tot cassatie te leiden.

4.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 juni 2006.