Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW3043

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
C05/148HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW3043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalig echtelieden over vergoeding door de vrouw overeenkomstig hun huwelijkse voorwaarden van de geldbedragen die de man uit eigen middelen had uitgegeven in verband met de staande het huwelijk door de vrouw gekochte onroerende zaak (echtelijke woning, manege) bestaande in verbouwingskosten en aflossingen van de hypothecaire schuld; devolutieve werking van het appel, toewijzing van in eerste aanleg afgewezen deel van vordering zonder in te gaan op in hoger beroep niet prijsgegeven weren van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/18 met annotatie van BER onder «JPF» 2009/31
JOL 2006, 524
RvdW 2006, 863
JWB 2006/283

Uitspraak

15 september 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/148HR

JMH/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: eerst mr. M.H. van der Woude,

thans mr. N.T. Dempsey,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploot van 31 maart 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om aan hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 1.241.343,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

De rechtbank te Breda heeft bij vonnis van 4 januari 1994 de zaak wegens verknochtheid verwezen naar de rechtbank te Rotterdam, waar tussen partijen reeds een procedure aanhangig was onder rolnummer 92/8415.

De zaak is bij die rechtbank ingeschreven onder rolnummer 94/185 en voortgezet.

De vrouw heeft de vordering van de man bestreden en een eis in reconventie ingesteld die in cassatie niet meer aan de orde is.

Bij conclusie van repliek heeft de man zijn eis voorwaardelijk vermeerderd en gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen ten bedrage van ƒ 35.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 1993, althans vanaf 31 juli 1995.

De vrouw heeft de voorwaardelijk vermeerderde vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 april 1997 in conventie de man tot bewijslevering toegelaten en de vordering van de man voor zover deze de kosten van de paarden betreffen afgewezen.

Na enquête en pleidooi heeft de rechtbank bij eindvonnis van 7 september 2000 de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van ƒ 80.726,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 1993, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders gevorderde afgewezen, en in conventie de proceskosten gecompenseerd.

Tegen de vonnissen van 14 april 1997 en 7 september 2000 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft hij gevorderd de vrouw, met vernietiging van beide vonnissen in zoverre, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door hem uit eigen middelen betaalde hypothecaire aflossingen en verbouwingskosten ten behoeve van het woonhuis van de vrouw aan de [a-straat] te [woonplaats] tot een bedrag van ƒ 1.104.017,-- in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg, voor het overige deze vonnissen te bekrachtigen, en de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. De zaak is bij het hof ingeschreven onder rolnummer 00/1187.

De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 2 februari 2005 heeft het hof in het principale en in het incidentele hoger beroep het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 april 1997 vernietigd voor zover aan de man een bewijsopdracht is verstrekt, het vonnis van die rechtbank van 7 september 2000, voor zover de rechtbank het meerdere van de vordering van de man boven het bedrag van ƒ 80.726,94 heeft afgewezen, vernietigd, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van ƒ 1.104.017,-- (€ 500.981,07), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 1993, de bestreden vonnissen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, voor het overige bekrachtigd, het meer of anders gevorderde afgewezen, en de vrouw in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1974 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Het huwelijk is hangende de procedure in eerste aanleg door echtscheiding ontbonden.

(ii) In de huwelijkse voorwaarden is onder meer bepaald:

"Artikel 1:

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen, welke ook, bestaan.

Artikel 3:

1. De kosten der huishouding, daaronder begrepen die van de verzorging en opvoeding der kinderen, en de belastingschulden, voorzover zij uit de inkomsten plegen te worden voldaan, worden door de man gedragen en betaald.

2. Het vorderingsrecht jegens de andere echtgenoot tot het bijdragen in kosten en belastingschulden als voormeld, vervalt bij het einde van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin die kosten zijn betaald, respectievelijk die belastingschulden definitief zijn vastgesteld."

(iii) De vrouw heeft in 1975 een perceel grond met opstallen gekocht, staande en gelegen te [woonplaats], [a-straat 1 en 2]. Huisnummer [1] betreft de voormalige echtelijke woning, terwijl op nummer [2] een manege gevestigd is. De vrouw is met betrekking tot de onroerende zaak een hypothecaire schuld aangegaan.

3.2 De onderhavige procedure betreft, voorzover in cassatie nog van belang, een vordering van de man tot vergoeding van geldbedragen die hij uit eigen middelen heeft uitgegeven in verband met de onroerende zaak van de vrouw, te weten aan verbouwingskosten en aflossingen van de hypothecaire schuld van de vrouw. De rechtbank heeft die vordering wat betreft de verbouwingskosten afgewezen en wat betreft de aflossingen van de hypothecaire schuld voor een bedrag van ƒ 80.726,94 toegewezen. Het hof heeft in zijn arrest van 2 februari 2005 de vordering toewijsbaar geacht tot een bedrag van ƒ 896.997,-- aan verbouwingskosten en een bedrag van ƒ 287.746,51 aan aflossingen. In een andere tussen partijen gevoerde procedure, waarin het hof eveneens op 2 februari 2005 arrest heeft gewezen, heeft het hof een vordering van de vrouw tot vergoeding van door haar gedragen kosten van de huishouding, die de man volgens art. 3 van de huwelijkse voorwaarden zou hebben moeten dragen, afgewezen omdat de man, volgens het hof terecht, een beroep deed op het in art. 3 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden voorkomende vervalbeding. Ook tegen dat arrest heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld (zaaknummer 05/150).

3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan een tweetal verweren die de vrouw in eerste aanleg heeft aangevoerd, te weten dat de aanspraak van de man op vergoeding van de door hem gedane uitgaven in strijd is met de redelijkheid en billijkheid waar hij zich in de andere procedure tegen de vergoedingsvordering van de vrouw verweert met een beroep op het vervalbeding, en dat de in de andere procedure door de vrouw opgevoerde bedragen die als kosten van de huishouding te haren laste zijn gekomen, beschouwd dienen te worden als deelbetalingen op de vordering van de man. De klacht is gegrond. Het hof had het door de rechtbank afgewezen deel van de vordering van de man niet mogen toewijzen zonder in te gaan op deze in eerste aanleg gevoerde, en in hoger beroep niet prijsgegeven, weren van de vrouw. Terecht voert het onderdeel aan dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.4 Onderdeel 2 verwijt het hof een onjuiste rechtsopvatting te hebben gehuldigd, althans zijn oordeel onvoldoende te hebben gemotiveerd, waar het de stelling van de vrouw verwierp, dat de man aan natuurlijke verbintenissen jegens de vrouw voldeed toen hij de verbouwingskosten en de aflossingen van de hypothecaire geldlening betaalde. Het oordeel van het hof op dit punt, dat is toegesneden op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, geeft evenwel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook toereikend gemotiveerd. Dit onderdeel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 februari 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 15 september 2006.