Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW2336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
41509
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding verschoonbaar?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6, geldigheid: 2006-04-21
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2006-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/140
NTFR 2006, 587 met annotatie van Boxem
FutD 2006-0749
Belastingblad 2006/648
BNB 2006/232
V-N 2006/21.6

Uitspraak

Nr. 41.509

21 april 2006

MvA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 september 2004, nr. 03/02414, betreffende na te melden aanslag in de parkeerbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 23 november 2002 te Purmerend een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Purmerend opgelegd ten bedrage van € 42, bestaande uit € 1 aan belasting en € 41 aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag.

Het hoofd van de afdeling belastingen en verzekeringen van de gemeente Purmerend heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld - in cassatie niet bestreden - dat belanghebbende niet tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend, geoordeeld dat belanghebbende daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Dat oordeel zou echter alleen juist zijn, indien zich ten aanzien van het na afloop van de termijn ingediende bezwaarschrift niet een geval heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, te weten een geval waarin niet-ontvankelijkverklaring op grond van de termijnoverschrijding achterwege blijft omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet ondubbelzinnig dat het acht geslagen heeft op die bepaling. Indien het dat heeft verzuimd, berust zijn bovenvermeld oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.

3.3. Indien het Hof met zijn overweging "Dat wordt niet anders in het door belanghebbende gestelde geval dat hij de hem op zaterdag 23 november 2002 uitgereikte naheffingsaanslag op de daarop volgende dinsdag heeft achtergelaten bij het bureau parkeerbeheer," heeft bedoeld dat die stelling, indien juist, niet de slotsom wettigt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, is dat oordeel zonder motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Weliswaar zou de enkele omstandigheid dat belanghebbende het op of aan zijn auto aangebrachte aanslagbiljet heeft achtergelaten bij Parkeerbeheer, op zichzelf de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken, maar dat zou anders zijn indien juist is - hetgeen belanghebbende in zijn beroepschrift voor het Hof heeft gesteld, maar welke stelling door het Hof niet is behandeld - dat hij voor de betrokken ambtenaar dat aanslagbiljet moest achterlaten bij Parkeerbeheer. Van hem kon dan redelijkerwijs niet meer worden gevergd dat hij naar aanleiding van dat aanslagbiljet bezwaar maakte tegen de aanslag. Dit werd niet anders door de omstandigheid dat hem later op dezelfde dag als waarop hij het aanslagbiljet had achtergelaten bij Parkeerbeheer in een telefoongesprek is meegedeeld dat hij "het verhaal op schrift moest stellen".

3.4. 's Hofs uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De daarop gerichte in het beroepschrift in cassatie besloten liggende klachten slagen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2006.