Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW2200

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
R05/056HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW2200
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen de vader en de moeder van een minderjarig kind over vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en het kind; proceskostenveroordeling van de moeder in hoger beroep op grond van nodeloos gemaakte kosten door onzorgvuldig procederen (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 446
RvdW 2006, 737
EB 2006, 65
JWB 2006/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/056HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[De vader],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 16 november 2001 ter griffie van de rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die rechtbank en verzocht een omgangsregeling tussen hem en zijn uit een relatie met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - op [geboortedatum] 1997 geboren minderjarige [het kind].

De moeder heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 12 februari 2003 bepaald dat de vader recht op omgang met de minderjarige heeft en wel eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 12.30 uur, ten uitvoer te leggen in het in de beschikking genoemde omgangshuis, en de behandeling van het verzoek voor het overige pro forma aangehouden.

Bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 24 juli 2003, heeft de vader verzocht de eerder verzochte omgangsregeling vast te stellen primair op straffe van ingijzelingstelling en subsidiair op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de moeder in gebreke blijft met de nakoming van de omgangsregeling, dan wel een dwangsom die de rechtbank redelijk acht.

De rechtbank heeft bij eindbeschikking van 25 februari 2004, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader recht heeft op omgang met het kind, en wel vanaf 7 maart 2004 eenmaal per veertien dagen gedurende een zondagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur, vanaf 2 mei 2004 eenmaal per veertien dagen gedurende een dag van zondag 11.00 uur tot 17.00 uur en vanaf 4 juli 2004 eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. De rechtbank heeft de moeder daarbij bevolen mee te werken aan deze omgangsregeling, op straffe van ingijzelingstelling voor de duur van ten hoogste drie dagen voor iedere keer dat de moeder nalatig is aan deze beschikking te voldoen.

Tegen de beschikkingen van de rechtbank van 12 februari 2003 en 25 februari 2004 heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Zij heeft daarbij verzocht de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 12 februari 2003 en 25 februari 2004 te vernietigen, althans de beschikking van 12 februari 2003 te vernietigen, althans de beschikking van 25 februari 2005 en - opnieuw rechtdoende - primair te bepalen dat de belangen van het kind rechtvaardigen dat er thans geen omgang is tussen hem en zijn vader, onder gelijktijdige bepaling welke informatie de moeder aan de vader dient te verstrekken over het kind, subsidiair in goede justitie een zo beperkt mogelijke omgangsregeling vast te stellen rekening houdend met de belangen van het kind.

De vader heeft verweer gevoerd en verzocht de beschikkingen te bekrachtigen en de moeder in de proceskosten te veroordelen vanwege misbruik van procesrecht.

Bij beschikking van 17 maart 2005 heeft het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking van 12 februari 2003 en, met vernietiging van de beschikking van 25 februari 2004, bepaald dat de vader recht heeft op omgang met het kind en wel vanaf 17 april 2005 eenmaal per veertien dagen gedurende een zondagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur, vanaf 19 juni 2005 eenmaal per veertien dagen gedurende een dag van zondag 11.00 uur tot 17.00 uur en vanaf 13 augustus 2005 eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 tot zondag 17.00 uur alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. Het hof heeft de beschikking van 25 februari 2004 voor het overige bekrachtigd en de moeder in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal

E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, P.C. Kop en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.