Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW2091

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
C05/139HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW2091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Geschil tussen een docent bij een scholengemeenschap en haar werkgever over de gehoudenheid van de werkgever de tegemoetkoming in ziektekosten ZKOO (Stb. 1995, 251) ook uit te betalen over de periode dat zij niet particulier verzekerd was maar krachtens de Zfw verplicht verzekerd was bij ziekenfonds in verband met nevenwerkzaamheden als zelfstandige; hof treedt buiten rechtsstrijd van partijen door oordeel te baseren op de ZVOO (Stb. 1997, 357); geding na verwijzing, gelegenheid tot aanpassing van stellingen n.a.v. wijziging in regelgeving.

Wetsverwijzingen
Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel
Besluit uitvoering Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekpersoneel
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 459
RAR 2006, 121
RvdW 2006, 744
JAR 2006, 227
JWB 2006/255
JAR 2006/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/139HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

de stichting STICHTING STICHTS VOORTGEZET KATHOLIEK ONDERWIJS,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.S. Pouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 14 januari 2002 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, te Utrecht, en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat College De Klop ook na 1 januari 2000 gehouden is [eiseres] een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de omvang van haar betrekking te verstrekken, een en ander onder vergoeding van de wettelijke rente vanaf de dag waarop de tegemoetkoming opeisbaar is geworden tot aan de dag van de algehele voldoening.

De Stichting heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 juli 2002 de vordering afgewezen en [eiseres] in de kosten van dit geding veroordeeld.

Tegen het vonnis van de kantonrechter heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

De Stichting heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot bevestiging van voormeld vonnis met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het hoger beroep.

Bij arrest van 20 januari 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en [eiseres] in de kosten van het appel veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiseres] mede door mr. B.A. Cnossen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] is, voor 0,7 deel van een volledige werktijd, sinds 1998 in dienst van de Stichting werkzaam als docent Engels bij een scholengemeenschap.

(ii) Tot 1 januari 2000 was zij particulier verzekerd en ontving zij van de Stichting een tegemoetkoming in de zin van art. 2 van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel, Stb. 1995, 251.

Dit, hierna als ZKOO aan te duiden, besluit houdt onder meer het volgende in:

"artikel 2

1. De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten over elke kalendermaand waarin hij een of meer betrekkingen bekleedt.

(...)

artikel 3

1. De betrokkene ontvangt voor zichzelf geen tegemoetkoming over een kalendermaand, waarin hij gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen behoort tot een van de volgende categorieën:

a. degenen die zelfstandig verplicht verzekerd zijn krachtens de Ziekenfondswet.

(iii) In verband met nevenwerkzaamheden als zelfstandige was [eiseres], als gevolg van de inwerkingtreding van art. 3d van de thans - sedert 1 januari 2006 - vervallen Ziekenfondswet, met ingang van 1 januari 2000 verplicht verzekerd bij een ziekenfonds.

(iv) In verband met het bepaalde in art. 3 lid 1, aanhef en onder a, ZKOO heeft de Stichting de hiervoor genoemde tegemoetkoming na 1 januari 2000 niet meer aan [eiseres] uitbetaald.

(v) In 1999 kostte [eiseres]s particuliere ziektekostenverzekering ƒ 2.200,-- aan premie, waartegenover zij een tegmoetkoming van ƒ 1.200,-- ontving. In 2000 kostte de ziekenfondspremie haar ƒ 3.870,--.

3.2 [Eiseres] grondt haar onder 1 vermelde vordering - die ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat de Stichting gehouden is de in de ZKOO bedoelde tegemoetkoming ook na 1 januari 2000 aan haar uit te betalen - op het beginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden gelijk beloond moet worden alsook op het algemene gelijkheidsbeginsel. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen, na onder meer overwogen te hebben dat degene die verplicht verzekerd is in de zin van de Ziekenfondswet op grond van art. 5 van de Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel, Stb. 1997, 357 (hierna: ZVOO) geen recht heeft op een tegemoetkoming als bedoeld in art. 1 ZVOO.

3.3 In hoger beroep heeft het hof de vijf grieven waarmee [eiseres] deze beslissing bestreed verworpen. Die verwerping berust, kort gezegd, daarop dat de positie van [eiseres] wat de toepassing van de ZVOO betreft in relevant opzicht afwijkt van die van de andere werknemers van de Stichting met wie zij zich vergelijkt. Bij deze laatsten gaat het om twee groepen niet verplicht verzekerden: onderwijsgevenden die geen nevenwerkzaamheden als zelfstandige verrichten, en zij die dat wel doen maar wier relevante totale inkomen uitkomt boven de in art. 3d Ziekenfondswet vastgelegde inkomensgrens voor zelfstandigen.

3.4.1 Het middel bevat een drietal klachten, die erop neerkomen dat onbegrijpelijk is dat het hof in de stellingen en de vordering van [eiseres] heeft gelezen dat deze betrekking hebben op (continuering van) een tegemoetkoming op grond van (niet de ZKOO maar) de ZVOO, en dientengevolge buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.

3.4.2 Deze klachten zijn gegrond. [eiseres] heeft zich in feitelijke aanleg onmiskenbaar - zoals ook de Stichting, die in dit verband spreekt van een vergissing van het hof, erkent - op het standpunt gesteld dat zij tot 1 januari 2000 een tegemoetkoming op grond van de ZKOO ontving en dat deze tegemoetkoming haar ook nadien toekwam.

3.5 De Stichting heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat [eiseres] geen belang heeft bij cassatie omdat het voor de beoordeling van de vordering geen verschil maakt of deze een tegemoetkoming in de zin van de ZKOO dan wel de ZVOO betreft, daarbij klaarblijkelijk doelende op het feit dat de ZKOO (art. 3) evenals de ZVOO (art. 5) bepaalt dat verplicht verzekerden als [eiseres] niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Dit standpunt moet al daarom worden verworpen omdat partijen in de gelegenheid gesteld dienen te worden hun stellingen aan te passen aan het feit dat art. 3 lid 1, onder a, ZKOO als gevolg van de inwerkingtreding van art. II van het Besluit van 15 juni 2005, houdende wijziging van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel, Stb. 350, met terugwerkende kracht tot en met 1 april 2004 is komen te luiden:

"degenen die zelfstandig verplicht verzekerd zijn krachtens de Ziekenfondswet, met uitzondering van degenen die als zelfstandige ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet verplicht verzekerd zijn;".

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 20 januari 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 457,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.